Ook op Rozenburg werden paarden gekeurd en gevorderd. Zo raakte onder andere de Landelijke Rijvereniging Oudt Roosenburgh door de mobilisatie enkele van haar paarden kwijt. Een mooie vos en Bruin, het best getrainde paard van de vereniging, werden goedgekeurd en gevorderd. Beide paarden waren eigendom van Arie Barendregt. Ook het paard van Leo Barendregt ontkwam er niet aan. Dan is de kleine woelwater van Schilleman van Dorsser aan de beurt om gekeurd te worden. Heeft dit edele dier een voorgevoel van wat er met hem gaat gebeuren? Er zijn twee cavaleristen nodig om het paard in bedwang te houden; de kleine heeft geluk en mag blijven. Een smid brandt nummers in de hoeven van de gevorderde paarden. Daarna vertrekken de cavaleristen met de trouwe viervoeters.

 

Ruim honderd Rozenburgers werden tijdens de mobilisatie onder de wapenen geroepen. De 24-jarige Daan van der Vliet vertrok tijdens de mobilisatie naar zijn standplaats Bodegraven. Daar werd hij ingekwartierd bij een boer en vervolgens kreeg zijn eenheid onderdak in de plaatselijke huishoudschool. De blonde militair maakte indruk op Nel de Jong uit Bodegraven en dat werd heel serieus; ze kregen vaste verkering. Zij traden op 19 april 1944 in zijn voormalige mobilisatie bestemming in het huwelijk. Siem van Vliet werd tweede paasdag opgeroepen toen hij bij zijn meisje in Naaldwijk was. De andere morgen moest hij zich al melden op zijn mobilisatie bestemming.

 

Voor Rozenburg betekende de mobilisatie ook dat de artsen H.B.N. van Kreel en J.W. Boehmer werden opgeroepen. De Hervormde dominee W.E.M. Hoekzema werd benoemd tot veldprediker met als standplaats Breda. In veel gezinnen werd het leven danig ontwricht. Veel Rozenburgse vrouwen stonden niet alleen voor de opvoeding van hun kinderen, maar ook voor de zorg van alle dag.

 

Huisarts Van Kreel met dochtertje Roek.

Foto: J. Bergwerff.

 

Dominee Hoekzema met echtgenote en de dochtertjes Ineke en Annelies.

Foto: fam. Hoekzema.

 

De voormalige veldwachterswoning.

Gemeentearchief Rotterdam / B. v.d. Leeuw

 

De voormalige veldwachterswoning naast het gemeentehuis werd in januari 1940 in gebruik genomen als distributiekantoor en politiebureau. De Luchtbeschermingsdienst, de Arbeidsbemiddeling en de Werklozenzorg werden daar ook in ondergebracht. Het ledental van het Rozenburgs Mannenkoor was door de mobilisatie zodanig gedaald dat in maart 1940 besloten werd het koor voor onbepaalde tijd op te heffen.

 

Per 1 april 1940 werden de volgende Rozenburgse dienstplichtigen van de lichtingen 1938 en 1939 opgeroepen. Van lichting 1938 waren dat Jacob Noordam, Simon Voorberg S.zn., Willem Oudheusden en Marinus van Vliet. De eerste drie werden ingelijfd bij het Regiment Jagers in Den Haag, Marinus van Vliet bij het Regiment Grenadiers. Van lichting 1939 werd Gerrit Boer ingedeeld bij de Geneeskundige Troepen in Amsterdam en Simon Voorberg Joh.zn. per 3 juni bij de Intendance Troepen, eveneens in Amsterdam.

Op maandag 4 maart 1940 werd in Brielle de keuring gehouden van lichting 1941. Van de 23 Rozenburgse dienstplichtigen werden er 13 goed- en 10 afgekeurd. Goedgekeurd werden Jacobus van Baalen, Adam Barendregt, Reijer Barendregt, Eppo Barthelds, Jan Bergwerff, Cornelis Brevaart, Leendert Degeling, Hendrik Jan Kistemaker, Klaas Kruik, Siert van der Laan, Cornelis van der Meer, Leendert van der Vliet en Leendert Cornelis Voogt.

Afgekeurd werden Arie van Baalen, Cornelis Bergwerff, Willem van den Blink, Christiaan Degeling, Jan Groenewegen, Jan de Jong, Pieter van der Linde, Cornelis Visser, Jan van Vliet en Dirk Vreugdenhil.

Van lichting 1940 kreeg Schilleman van Dorsser een oproep om zich op 6 mei te melden bij het 3e Regiment Huzaren. Jac. Gille en Ph. Oprel kregen een oproep voor 17 juni bij het Regiment Kustartillerie en J. van Riel voor de Luchtdoelartillerie. Matth. van Gaalen en Gerrit van Seters kregen order om zich op 16 december te melden bij het 2e Regiment Veldartillerie. Van deze lichting kwam alleen Schilleman van Dorsser nog in militaire dienst.

 

Bewapening en uitrusting

De Nederlandse militair had een weinig flatterend uniform dat goedkoop was en ongemakkelijk zat. Hinderlijk waren de hoge kraag en de beenwindsels, de poetties. Deze waren uit laken gemaakt, pasten zelden en zakten voortdurend af. Wilde men dit afzakken voorkomen dan moesten de windsels zó stijf aangelegd worden dat de bloedsomloop belemmerd werd. De eetketel en de veldfles waren uit blik vervaardigd. De naden waren gesoldeerd wat betekende dat de inhoud van de ketel of veldfles niet boven vuur verhit kon worden. De koppelriem was vaak te zwaar beladen. Behalve twee patroontassen hingen er een broodzak, inclusief veldfles en eetketel, een bajonet en in verschillende gevallen ook nog de nodige gereedschappen aan. De ransel moest noodgedwongen gedragen worden om als draagstel van de koppelriem te dienen. Bovendien droeg de soldaat nog een gasmasker dat in een tas was opgeborgen die via een brede draagband over de rechterschouder hing. De kleding en de bepakking van de militair deden afbreuk aan zijn beweeglijkheid.

Vrijwel alle infanteristen hadden een geweer of karabijn van een Oostenrijks model, Mannlicher, dat dateerde uit 1895. Op zich waren het effectieve wapens, maar werd er te weinig mee geoefend. Handgranaten waren er niet in voldoende mate.

Bij enkele onderdelen ontbraken ze in het geheel. Bovendien was een groot aantal dienstplichtige soldaten, reserve-onderofficieren en zelfs reserve-officieren niet met het gebruik ervan op de hoogte. De lichte mitrailleurs Lewis M.20 dateerden uit de Eerste Wereldoorlog. Ze waren erg lomp en kampten bovendien nogal met storingen. Bovendien was de vuurkracht niet imponerend. De zware mitrailleurs, vooral de Schwarzlose, voldeden, ondanks het feit dat deze wapens niet meer hypermodern waren, naar behoren. Door gebrek aan munitie kregen de bedieningsmanschappen bijna geen gelegenheid om met het wapen te oefenen.

 

Pantserwagen.

 

Tanks bezat het Leger niet, er waren 26 pantserwagens. De situatie bij de artillerie was bedenkelijk. De standaard vuurmond was de 7-veld, een uit 1904 daterend kanon. Door gebrek aan artillerie werden allerlei sterk verouderde kanonnen, daterend uit 1878 en 1880, uit de arsenalen gehaald en weer in dienst gesteld. Zelfs de munitievoorraad was ontoereikend.

 

De luchtmacht was geen zelfstandig wapen, maar stond onder bevel van de commandant luchtverdediging luitenant-generaal P.W. Best en de commandant Veldleger luitenant-generaal J.J.G. baron van Voorst tot Voorst. De Militaire Luchtvaart bestond uit twee regimenten die beschikten over 125, voor het merendeel verouderde, toestellen.

 

Douglas toestellen opgesteld op vliegveld Soesterberg.

Foto: Sectie Luchtmachthistorie.

 

Bij de Douglasfabriek in Amerika werd een serie tweepersoons toestellen van het type Douglas 8A/3N besteld. Wegens het tekort aan jachtvliegtuigen besloot men de Douglas bij de jachtgroep Veldleger van het Tweede Luchtvaartregiment in te delen. Het besluit om dit type vliegtuig in te zetten als jager zou tot zware verliezen leiden. De Fokker G.1 jachtkruiser behoorde tot de modernste onder de beschikbare toestellen. Op 10 mei stonden er 23 op de luchtmachtbases gevechtsklaar. Het belangrijkste jachtvliegtuig was de wendbare, maar langzame Fokker D.21. Bij het uitbreken van de oorlog stonden er verspreid over drie vliegvelden, 29 startklaar.

Bij de Koninklijke Marine was het materiaal, op enkele uitzonderingen na, sterk verouderd en voor een moderne oorlog beslist ontoereikend. Bovendien verbleef een groot deel van de Nederlandse vloot in de Indische wateren. Wel stonden er op verschillende werven in ons land een groot aantal moderne schepen van uiteenlopende types op stapel.

Volgende