Het vuurgevecht in de Noordbankpolder

Voordat de gebeurtenissen op het eiland Rozenburg worden vervolgd, wordt er eerst in het kort aandacht geschonken aan de Duitse aanval op de Residentie. Dit omdat deze grote luchtlandingsoperatie niet zonder gevolgen zou blijven voor de op het eiland gelegerde militairen en voor de bevolking van Rozenburg.

 

Om de strijd in ons land zo snel mogelijk te beëindigen ontwierp de Duitse legerleiding een plan dat moest resulteren in een snelle bezetting van Den Haag. Deze aanval op de Residentie, waarbij Hitler zich persoonlijk tijdens de voorbereiding met allerlei details bemoeide, had tot doel de regering, het opperbevel van onze strijdkrachten en de koninklijke familie gevangen te nemen. Verstoken van alle leiding zou dat de ineenstorting van het Nederlandse Leger zeker bespoedigen, zo meenden de Duitsers. Voor deze operatie werd door hen op grote schaal gebruik gemaakt van valschermjagers en luchtlandingstroepen. Voor het afzetten van de luchtlandingstroepen moesten de in de nabijheid van Den Haag gelegen vliegvelden Valkenburg, Ockenburg en Ypenburg eerst in Duitse handen vallen.

 

Deze taak was bestemd voor valschermjagers die, na bombardementen en beschietingen door de Luftwaffe, de laatste verdedigingshaarden moesten uitschakelen zodat Junkers 52 transporttoestellen konden landen. Hierna zou de opmars naar de Residentie kunnen beginnen. Daar voor de aanval op Dordrecht, Rotterdam en de Moerdijkbruggen eveneens Junkers 52’s werden ingezet, moesten de voor Den Haag bestemde transporttoestellen terugkeren naar hun basis in het Münsterland om de resterende onderdelen van de luchtlandingstroepen op te halen.

Enige uren voordat de oorlog ons land in alle hevigheid zou treffen, ontving de Positie Hoek van Holland vanuit het stafkwartier van de marine te Scheveningen het bevel dat de marinestrijdkrachten tegen het aanbreken van de dag paraat moesten zijn. Dit bericht werd om 1.30 uur aan de onderdelen doorgegeven, met de opdracht dat alles om 3.00 uur gevechtsklaar moest zijn.

 

Nadat om 3.30 uur de eerste elf Duitse toestellen in zuidwestelijke richting werden waargenomen, volgde om 3.40 uur het algemeen alarm. Boven de monding van de Nieuwe Waterweg verschenen vijandelijke vliegtuigen. Deze wierpen zes magnetische mijnen per parachute af, waarna stellingen werden gemitrailleerd. Binnen de Positie Hoek van Holland werd aangenomen dat de Duitsers het voorzien hadden op de monding van de Nieuwe Waterweg. Rotterdam zou hiermee van zee kunnen worden afgesloten, terwijl de vijand bovendien kon beletten dat buitenlandse hulp van deze belangrijke invalspoort gebruik zou kunnen maken.

 

Tweemotorige bommenwerpers vlogen om 4.00 uur boven Delft op 1500 meter hoogte, richting zuidwest-noordoost. Enkele ogenblikken later sloegen de eerste Duitse bommen in op vliegveld Ypenburg. Na het bombardement daalde er een bataljon valschermjagers ten noorden, westen en zuiden van het vliegveld. Door hevige tegenstand van het 3e bataljon Grenadiers slaagden de valschermjagers er niet in Ypenburg tijdig in handen te krijgen voordat het 1e echelon van 13 Junkers 52’s zou landen. Door het mitrailleurvuur van de Nederlandse verdediging, versterkt met de vuurkracht van zes pantserwagens, werden de Duitsers verrast. Van het 1e echelon dat om 5.24 uur neerstreek, vlogen verscheidene toestellen in brand. Daarop volgden toestellen van het 2e en 3e echelon die een zelfde lot ondergingen. Slechts enkele Duitsers konden zich uit deze vuurzee bevrijden, waarna ze gevangen werden genomen.

 

Het 4e echelon restte niets anders dan Ypenburg te mijden. Deze vliegtuigen landden onder andere bij Ockenburg en op het strand bij Kijkduin. De meeste Junkers’ vlogen richting Rotterdam-Zuid, waar vliegveld Waalhaven lag. Niettemin viel Ypenburg, afgezien van de noordelijkste punt, om 7.15 uur in Duitse handen. Door de ontstane ravage was er geen mogelijkheid meer tot het afzetten van luchtlandingstroepen. Een deel van de transporttoestellen die later volgden maakten noodlandingen op de Rijksweg Den Haag - Rotterdam, in het Westland, in de polders 

tussen Delft en Gouda en op het eiland Rozenburg.

 

 

Duitse transporttoestellen maakten noodlandingen op de Rijksweg Den Haag - Rotterdam.

Foto: collectie A.M.M. Straver.

 

Vanaf Fliegerhorst Loddenheide, ten zuidoosten van Munster, stegen 27 Junkers 52 transporttoestellen op voor een tweede aanvalsgolf op vliegveld Ypenburg. Door de heersende chaos op Ypenburg konden daar geen landingen meer plaatsvinden, waardoor de Junkers’ gedwongen waren uit te wijken. Ver van het doel slaagden 10 Jun­kers’ erin te landen in de omgeving van Hoek van Holland. Dit gebeurde bij het Staalduinse Bos, Nieuwlandsepolder, Oranjepolder en de Langeboonenpolder. Zes van deze vliegtuigen zagen kans om weer het luchtruim te kiezen. Op het eiland Rozenburg maakten drie Junkers 52 transporttoestellen een noodlanding. Eén daarvan kwam in de Droespolder terecht, zuidwestelijk van het dorp Rozenburg. In de Noordbankpolder landden twee transporttoestellen. Hiervan steeg er één weer op. Het andere kon door een beschadigd landingsgestel niet meer van de grond komen.

 

Kapitein Smeele kreeg even na 11.00 uur het bericht dat er drie Duitse vliegtuigen zouden zijn geland op het eiland Rozenburg, met naar schatting 50 manschappen. Smeele stelde een patrouille samen van 18 man, onder bevel van reserve 2e luitenant W.L.M. Theunissen. Vervolgens sprak hij hen bemoedigend toe. Wanneer zou blijken dat de patrouille niet sterk genoeg was om de vijand te overmeesteren moesten zij veel lawaai maken en genoeg vuur afgeven, om zo bij de vijand de indruk te wekken dat de patrouille sterker was. Omdat de Duitsers volgens de berichten groter in aantal waren, beloofde Smeele 40 gulden uit eigen zak te betalen indien de patrouille succes zou hebben.

 

De Noordbank.

Tekening: A.J. van Oudheusden.

 

De rit per vrachtwagen was van korte duur, want onderweg werd hevig geweervuur waargenomen dat de Duitsers afvuurden bij de Fokker R.2, waardoor de patrouille ongeveer de locatie wist waar de vijand zich bevond. Nabij de Schulpendijk liet Theunissen halt houden en zijn manschappen uitstappen. Langs het Schulpengat, die parallel liep aan de Schulpendijk, trok de patrouille te voet verder in de richting van de Noordbank, de enige leefgemeenschap in de polder, deel uitmakend van het landbouwbedrijf de Vereeniging tot Landverbetering. Na 800 meter kreeg de patrouille bevel om achter de Schulpendijk in stelling te gaan, want een Duits toestel, 200 meter vanaf de dijk, was duidelijk waarneembaar. In de nabijheid van de Junkers 52 hielden zich drie Duitsers op.

 

Het toestel had een onfortuinlijke landing uitgevoerd. De piloot daalde niet in de lengterichting van de percelen grond, die werden afgescheiden door sloten en greppels, maar dwars er over. Dus werd een sloot een fatale hindernis. Het linkerwiel van het landingsgestel brak af, waarna het vliegtuig na enige tientallen meters in een bietenveld tot stilstand kwam, op 800 meter van de Noordbank. Luitenant Theunissen liet de meegenomen Lewis M.20 mitrailleur in stelling brengen en het vliegtuig door de schutter, een korporaal der mariniers, onder vuur nemen. De drie Duitsers staken als teken van overgave hun handen omhoog. De meeste patrouilleleden wilden gelijk op hen af gaan, maar de luitenant voorkwam dit. “Niet allemaal tegelijk, misschien willen ze ons in een hinderlaag lokken.”

Theunissen ging met enkele soldaten naar het transporttoestel. Een Duitser was lichtgewond aan zijn zitvlak. Het drietal werd ontwapend en door twee soldaten afgevoerd naar de Volkskeet, het onderkomen van de compagnie in de Scheurpolder.

Luitenant W.L.M. Theunissen.

Tekening: korporaal H.A. de Vogel.

 

De Duitse soldaten die zich bij de Nieuwe Waterweg bevonden kwamen door het afgegeven vuur op de Junkers 52 terug en snelden in de richting van de Noordbank. Hier woonden en werkten de gezinnen van opzichter Hermen van der Beek, Michiel Schouten, Frans C. Romers, voorman Huib Kruik en de families Qualm en Van der Vliet. Simon Qualm was gehuwd met Neeltje Quak. Gerrit van der Vliet was met zijn vrouw Cornelia Louwen ‘s morgens vertrokken naar haar ouders aan de Zuidzijde. Kruik werd onder bedreiging gedwongen de telefoonleidingen door te knippen zodat telefonisch contact niet meer mogelijk was.

 

Voorman Huib Kruik.

Foto: K.Kruik.

 

Op het moment dat de luitenant zich nog bij het transport­toestel bevond, openden de teruggekomen Duitsers het vuur op de overige manschappen van de patrouille die op de dijk de verrichtingen hadden gevolgd van hun luitenant. Verrast door dit plotselinge vuur lieten zij zich op de grond vallen. Soldaat G.J. Wilpshaar nam een sprong om achter de dijk dekking te zoeken, maar kreeg gelijktijdig enkele kogels door zijn linkerarm. Zwaar gewond trachtte hij de ader af te knijpen, wat slechts gedeeltelijk lukte. “Ik ga dood, ik ga dood!”, hoorde hij iemand schreeuwen. Het was soldaat L.W. de Winter die zwaar gewond was.

 

Luitenant W.L.M. Theunissen.

Foto: L.A. Theunissen.

 

Luitenant Theunissen keerde onmiddellijk terug en zocht met zijn manschappen dekking aan de rechterzijde van de dijk. Plotseling kwam er een Duitser naderbij, die schreeuwde: “Nicht schiessen!” Theunissen kwam met soldaat J.G.J. Lakerveld van achter de dijk omhoog en riep hem toe: “Kommen sie hier!” Onduidelijk is wat hierna precies gebeurde. Mogelijk hebben patrouilleleden het vuur heropend. Terwijl Theunissen en Lakerveld op de Schulpendijk stonden, beantwoordden de Duitsers dit vuur, waarbij de luitenant dodelijk getroffen werd. Lakerveld liet zich direct op de grond vallen. Toch slaagde hij erin de Duitser die zich in het voorterrein bevond, bij zich te laten komen en krijgsgevangene te maken.

 

De korporaal der mariniers raakte na het sneuvelen van luitenant Theunissen in paniek. Gezien zijn rang was hij nu verantwoordelijk voor de patrouille, maar hij stond op en ging er met de mitrailleur en al vandoor om, naar hij zei, hulp te halen. Soldaat W. Schmitz, helper van de mitrailleurschutter, probeerde hem hiervan te weerhou­den: “Blijf hier en neemt ze onder vuur met je wapen.” De korporaal luisterde niet naar zijn woorden.

Het vuurgevecht ging inmiddels door. “Kommen sie heraus!”, riep Lakerveld verbeten. Waarschijnlijk dachten de Duitsers met een grote eenheid te maken te hebben, want het vuren nam af. Opnieuw werd er geroepen: “Nicht schiessen.” Lakerveld riep hen toe dat ze één voor één naar hem toe moes­ten lopen. Hieraan gaven zij gehoor, al gebeurde dat niet zonder problemen. Zo kwamen er drie Duitsers, waarvan een gewond was aan een knie, naar voren. Eén van hen probeerde nog een handgranaat te werpen, maar dit kon worden verhinderd door kordaat optreden. Om te voorkomen dat de Duitsers er achter zouden komen dat zij slechts door enkele soldaten gevangen waren genomen, werden zij eerst ontwapend en daarna pas doorgezonden. De laatste die zich overgaf was een onderofficier die het te kwaad met zichzelf kreeg nadat hij zag dat ze zich aan zo weinig Nederlanders hadden overgegeven. Door hem werd gevraagd een paar man naar voren te sturen voor hulp aan enkele Duitse gewonden.

 

Bouwina Romers: “Ik herinner mij dat mijn ouders de luiken voor de ramen sloten toen het schieten begon. Ik was zes jaar, maar ik weet wel dat we de andere dag naar mijn grootmoeder gingen en dat we daarna nog zes weken in een huisje in de straat van Jaap Pols hebben gewoond. Op 27 ju­li werd mijn zusje Anna geboren.”

 

Sjaan van Willigen-Kruik, Hoek van Holland, destijds zeven jaar: “Nee, we gingen niet naar school die morgen. Ik weet nog dat er op een moment een kogel door de ruit vloog. Moeder haalde mijn broertje Jan, die twee jaar was, uit de bedstee en we zijn met de overige bewoners van de Noordbank achter een mestput gekropen.”  

 

Serienummerplaatje afkomstig uit de Junkers 52.

Ware grootte 3 x 6,5 centimeter.

Collectie J. Prooi

 

Er was nu eindelijk gelegenheid om de slachtoffers te verzorgen. De gewonde Wilpshaar zag soldaat S. van Vliet over de dijk komen en riep hem aan. Nu bleek pas dat behalve de gewonden, er slechts drie of vier man over waren van de groep die zich aan de linkerkant had bevonden. De rest, waaronder twee soldaten van de Geneeskundige Dienst, was tijdens het gevecht gevlucht. Niet iedereen bleek opgewassen tegen de oorlogsspanningen. Als eerste trachtte Van Vliet samen met Lakerveld de zwaargewonde De Winter te helpen. Het was echter tevergeefs. Soldaat De Winter overleed ter plekke aan zijn verwonding. Bij Wilpshaar bleef zijn linkerarm doorbloeden. Teneinde dit tegen te gaan werd zijn mouw opengesneden en als laatste redmiddel zijn arm met behulp van een bajonet afgekneveld. Ook soldaat Schmitz werd tijdens de confrontatie gewond.

 

Militairen van 3-II-30-R.I. voor het wachtlokaal van de Volkskeet.

Tweede van links soldaat Gerrit Jan Wilpshaar.

Foto: G.J. Wilpshaar.

 

Hoewel de Volkskeet nu zo goed als onbeschermd zou zijn, stuurde kapitein Smeele ter ondersteuning manschappen onder bevel van een sergeant-majoor naar de patrouille. Om 13.30 uur kwam de vrachtwagen waarmee de patrouille Theunissen was vervoerd, bij de Volkskeet aan. Hierin zaten de soldaat-chauffeur en de korporaal der mariniers. Ontdaan vertelde de laatste aan commandant Smeele dat de helft van de patrouille gesneuveld was. De rest was gevangen genomen door een overmacht aan Duitsers die bewapend zouden zijn met zware mitrailleurs. Daar hij geen contact had met de tweede patrouille die dit onheilspellende bericht zou kunnen bevestigen, moest Smeele in eerste instantie aan­nemen dat deze mededeling juist was. De militairen waarover hij nog beschikte bestond uit niet inzetbaar personeel. Deze manschappen liet de kapitein terugtrekken naar een bosrand, 400 meter ten westen van de Scheurpolderhoeve.

 

De Volkskeet.

Collectie: J. Bergwerff.

 

Op het eiland Rozenburg was de verdediging van de kuststrook in handen van 1e luitenant A. Kornaat. Omdat er geen dreiging bestond vanuit zee, liet Smeele een gedeelte van de daar gelegerde manschappen naar de Volkskeet overbrengen. Tegelijkertijd trachtte Smeele versterkingen te krij­gen van­uit de Positie Hoek van Holland. Hij besloot bovendien om de korporaal der mariniers door te sturen naar de Positie.

 

Om 14.00 uur kwamen de twee soldaten van de patrouille Theunissen met de drie Duitse krijgsgevangenen in de Volkskeet aan. Een van de Duitsers bleek gewond, hij werd ondersteund door zijn kameraden. De soldaat werd behandeld door 1e luitenant Roelof Frank van de Geneeskundige Dienst. Deze was door de Positiecommandant vroeg in de morgen naar kapitein Smeele gezonden. De wond van de Duitser bleek niet ernstig te zijn. Luitenant Frank maakte een praatje met hem. Het bleek de 23-jarige werktuigkundige van de Junkers 52 te zijn. Omstreeks 11.00 uur waren ze boven Rozenburg gekomen, gevolgd door de ongelukkige landing. De manschappen die ze hadden aangevoerd bevonden zich in een boerderij, op enige afstand waar het toestel terecht was gekomen. Met drie man hadden ze getracht terug te keren naar de Junkers maar moesten daarvoor over open terrein, waarbij hij een schotwond opliep. Hij vroeg wat te eten waarop Frank hem naar de keuken bracht, waar de twee andere Duitsers zich al bevonden.

 

In de Volkskeet lag op een tafel wat verband, medicamenten bleken zo goed als op te zijn. Luitenant Frank besloot om de ruime keuken van de Scheurpolderhoeve als verbandplaats in te richten. Door een soldaat van de Geneeskundige Dienst liet luitenant Frank het weinige materiaal van de Volkskeet overbrengen naar de Scheurpolderhoeve. Een andere soldaat stuurde hij met een briefje, met daarin vermeld de gewenste medicamenten, naar de Positie Hoek van Holland waar de troepenverbandwagen stond. De soldaat kwam terug met de helft van het gevraagde.

 

Op verzoek van kapitein Smeele stuurde de Positie-commandant versterkingen naar Rozenburg. Om 14.00 uur meldde kapitein P.C. van Loon, Fortcommandant en tevens commandant koepel 15.l.30, zich met vijftig man van de Kustartillerie, waaronder tien onderofficieren. Deze manschappen beschikten echter niet over mitrailleurs. Smeele liet uit de stellingen op de Beer één zware en twee lichte mitrailleurs overkomen. Samen met een gearriveerde groep militairen van batterij VII, onder bevel van vaandrig H. Wijmenga, beschikte Smeele weer over een inzetbare eenheid. De mitrailleurs werden over twee gevormde groepen verdeeld waarna de militairen vertrokken. Kapitein Van Loon trok richting zuid langs het Afgedamde Scheur naar de Noordbank. Vaandrig Wijmenga trok met zijn groep langs de Nieuwe Waterweg.

 

Mogelijk heeft de korporaal die door Smeele naar de Positie Hoek van Holland was gezonden, ook daar verteld dat de Noordbank door Duitsers bezet werd. Hierop heeft de Positie-commandant besloten, zonder Smeele te hebben geïnformeerd of te waarschuwen, artillerievuur af te geven. Batterij VIII die op tweeëneenhalve kilometer van de Noordbank stond, opende het vuur. Met twee gerichte schoten werd de schuur waar de Duitsers zich zouden ophouden getroffen. Direct liet kapitein Smeele dit vuren staken, omdat zich in de nabijheid van de Noordbank eigen troepen bevonden.

 

Tijdens de verzorging van de Nederlandse gewonden kwam over de dijk een vrachtwagen aanrijden. Deze werd bestuurd door sergeant P. Meys. Hij had de wagen gevorderd en hoewel hij niet in het bezit was van een rijbewijs en nog nooit een auto had bestuurd, kwam hij de dijk afgereden om hulp te bieden. Bij hem bevond zich soldaat Velt, een van de soldaten die eerder de drie gevangen genomen militairen van de Junkers 52 naar de Volkskeet had gebracht. Hij had toen bij de compagniecommandant op versterking van de patrouille aangedrongen, die er helaas niet was.

De gesneuvelden en gewonden werden met een auto naar de Volkskeet overgebracht. Bij aankomst bleek dat het merendeel van de patrouille daar al gearriveerd was. Luitenant Theunissen en soldaat De Winter werden opgebaard in de Volkskeet. Beide kisten waren bedekt met de Nederlandse driekleur.

 

De patrouille was erin geslaagd een veel beter bewapende en uitstekend geoefende tegenstander met succes uit te schakelen. Een niet geringe prestatie, maar de tol die hier­voor betaald werd was hoog. Het kostte luitenant Theunissen en soldaat De Winter het leven. Soldaat Wilpshaar was zwaar gewond. Zijn linkerarm werd op 11 mei in het Zuidwal Ziekenhuis te Den Haag geamputeerd. Soldaat Schmitz raakte gewond aan zijn linkerbeen. Soldaat Lakerveld die het uitgeloofde geldbedrag van veertig gulden van kapitein Smeele ontving, verdeelde dit onder de patrouilleleden die tijdens het vuurgevecht op hun post waren gebleven.

 

Nadat was gebleken dat het bericht van de korporaal der mariniers over het lot van de patrouille van luitenant Theunissen en de overmacht aan zwaarbewapende Duitsers in de Noordbankpolder onjuist was, keerde vaandrig Wijmenga met zijn manschappen terug naar Batterij VII.

De complete bemanning van de Junkers 52 werd overgebracht naar de Positie Hoek van Holland. In het transporttoestel werden zeven mitrailleurs, twee automatische pistolen, geweren en een grote hoeveelheid munitie aangetroffen. Gedeeltelijk werd dit materiaal voor het versterken van de compagnie gebruikt, het overige werd doorgezonden naar Hoek van Holland. Voorts kon met een pompje 950 liter brandstof worden overgeheveld.

 

Zoals bekend landde een Junkers 52 omstreeks 11.15 uur in de Droespolder. Kapitein Van Loon was intussen teruggekeerd van zijn patrouille naar de Noordbank. Hij kreeg nu de opdracht om met elf soldaten naar Rozenburg te vertrekken. De verkenningseenheid ging per vrachtwagen richting Rozenburg, waar de Burgerwacht opgeroepen was op uitdrukkelijk bevel van burgemeester Just de la Paisières.

 

Rozenburgers en een Duitse militair, bij de verongelukte Ju 52.

Foto: Wim Seters.

 

Rozenburgse Burgerwacht

Nadat de Junkers 52 tot stilstand was gekomen in de Droespolder, klommen er twaalf militairen uit. Enkele soldaten laadden een wagentje op luchtbanden uit, waarna het vliegtuig met brullende motoren weer opsteeg. Snel kozen de Duitsers positie en verdwenen in het bosje op het land van de gebroeders Adrianus en Cornelis Oosterlee, in de omgeving van de Volgerlandsedijk. Het was de Duitsers wel duidelijk dat ze niet op hun bestemming terecht waren gekomen. Ze besloten op verkenning te gaan en vertrokken richting Graspolderdijk.

 

Uiteraard waren landing en opstijgen van de Junkers 52 niet onopgemerkt gebleven bij de Rozenburgse bevolking en zeker niet aan Jaap van Dorp, de bewoner van boerderij Neeltjes Hoeve aan de Staaldiepsedijk, die het gevaarte op zijn tarwe zag landen. Van Dorp sprong op zijn motorfiets en reed naar het gemeentehuis. Daar deed hij verslag aan burgemeester Just de la Paisières. In het gemeentehuis rees het vermoeden dat de vijand het voorzien had op de veerdiensten die met het eiland Rozenburg onderhouden werden. Gezien het gegeven dat oeververbindingen in ons land voor de Duitse opmars van vitaal belang waren, was dit geen onlogische gedachte. De veerboot Hoofdingenieur van Elzelingen waarmee de dienst tussen Maassluis en Rozenburg werd onderhouden, bleef als gevolg daarvan aan de Maassluise wal.

 

De boerderij van Jaap van Dorp aan de Staaldiepsedijk.

Tekening: J.T. Prooi.

 

De burgemeester besloot te telefoneren naar de commandanten van de Scheurpolder en Hoek van Holland voor militaire hulp. Kapitein Smeele had op dat moment zijn handen vol aan de Duitsers in de Noordbankpolder. In de Positie Hoek van Holland werd de telefoon opgenomen door stafchef kapitein-luitenant ter zee J.J. Logger. Ook in dit gesprek werd het al snel duidelijk dat er geen militaire steun verwacht kon worden. In Hoek van Holland, voornamelijk in het Staalduinse Bos richting Maasdijk, hadden ze al genoeg problemen met valschermjagers. De burgemeester dacht daar anders over en dreigde door de telefoon: “Als dat geduvel niet ophoudt, mobiliseer ik de Burgerwacht en zullen we het zaakje zelf wel opknappen.”

 

De Burgerwacht was een vrijwilligerskorps. Naar aanleiding van de revolutie in Rusland en het beëindigen van de Eerste Wereldoorlog, was er in Europa behoefte aan vernieuwingen en radicale veranderingen. In Nederland hield Pieter Jelles Troelstra, een van de oprichters en leider van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), felle redevoeringen waarin hij het Neder­landse volk opriep de internationale ontwikkelingen te volgen. Vervolgens deed Troelstra in november 1918 een vergeefse poging de macht in de Staat in handen te krijgen. Dit mislukte optreden van Troelstra was aanleiding van gezagsgetrouwe vaderlanders zich te organiseren. In vele steden en dorpen werd een Burgerwacht opgericht. Wandelmarsen en wapenoefeningen namen de meeste tijd in beslag. Omdat het met de revolutie in Nederland wel meeviel speelden gezelligheid en sociaal contact een belangrijke rol.

 

Het telefoongesprek van de burgemeester had wel tot gevolg dat er enkele militairen die het zoeklicht bedienden dat stond opgesteld in de Ouwepolder, naar het centrum van Rozenburg werden gestuurd om de wacht bij het postkantoor te betrekken.

Nadat de burgemeester tevergeefs een oproep had gedaan voor militaire steun, stond hij in tweestrijd. Op hulp kon voor­lopig niet gerekend worden ter­wijl er Duitsers zich nabij Rozenburg ophielden. Teneinde raad nam hij een ingrijpend besluit.

 

Huisarts G.J.H. Leerink, commandant van de Rozenburgse Burgerwacht tot en met 1 juni 1935.

Tot zijn opvolger werd S.C. van Helden benoemd.

Collectie:  J. Bergweff.

 

De commandant van de Rozenburgse Burgerwacht werd naar het gemeentehuis ontboden. Mol stond versteld van het plan van de burgemeester; de Duitsers moesten door de Burgerwacht worden ingerekend. Hoewel de commandant van de Burgerwacht overtuigd was dat deze opdracht de grenzen van haar bevoegdheid overschreed en dit ook kenbaar maakte, gehoorzaamde Mol na een felle discussie aan het uitdrukkelijk gegeven bevel van de burgemeester. Er restte hem niets anders dan de leden van de Rozenburgse Burgerwacht op te roepen. Huib Ouwendijk, in het bezit van een motorfiets, en Jaap Marsman die als passagier de adressenlijst bijhield, reden naar de woningen van de burgerwachters. Deze kregen de opdracht zich zo spoedig mogelijk te melden bij Jacob van der Knaap, Bomendijk B 109.

 

 

De werkplaats van Jacob van der Knaap aan de Bomendijk B 109.

 

Inmiddels waren de Duitsers gearriveerd bij de Graspolderdijk. Aan weerszijde van deze dijk stonden een 20-tal dijkwoningen en enkele boerderijen. Op de Graspolderdijk werd Siem Qualm, die aan het werk was geweest op het land van Van Santen en Lievaart en op weg was naar huis voor het middageten, door hen aangehouden. Er kwam een kaart te voorschijn, ‘Haag, Haag’, zei een van de Duitsers en wees daarbij op Den Haag. Qualm begreep heel goed wat ze wilden maar haalde zijn schouders op. Hij deed het voorkomen alsof hij niet wist wat ze bedoelden, waarop de Duitsers weer verder trokken.

 

Het huis van Manus de Bruin aan de Graspolderdijk.

Foto: W. de Bruin.

 

Aan de Graspolderdijk stonden een 20-tal dijkwoningen en enkele boerderijen.

De foto is gemaakt vanaf het huis van Manus de Bruin. Rechts de woning van Adam Breukel.

Foto: W. de Bruin.

 

De Graspolderdijk, met links de open kapschuur van Adam Barendregt.

In het midden het bedrijf van Arie van der Vliet.

Foto: L. Degeling.

 

Het bedrijf van Arie van der Vliet aan de Graspolderdijk.

Tekening: J.T. Prooi.

 

Even later werd er nogmaals een Rozenburger aangehouden. Gevraagd werd waar ze een vrachtauto konden vinden. Hij verwees hen naar Jan Pols aan de Zandweg die voor transport van vee en groente naar de markt in Delft en naar de veiling in Maasland, een Chevrolet bezat. Jan Pols, die niet kon vertrekken omdat het veer uit de vaart was genomen, werd gewaarschuwd door iemand die het gesprek had opgevangen. Pols plukte de stroomverdeler en de bedrading onder de motorkap vandaan en deed de onderdelen in een zak die hij in een sloot liet zakken. De Duitsers liet hij onder de motorkap kijken om te laten zien dat zijn auto onbruikbaar was. Onverrichter zake trokken de soldaten verder, nu naar de open kapschuur van Adam Barendregt aan de Vinkseweg dichtbij de woning en het tuindersbedrijf van Arie van der Vliet en de woning van Jan Quak.

 

De woning van Jan Quak. Rechtsachter de open kapschuur 

van Adam Barendregt.

Foto: J. Bergwerff.

 

Leen van der Vliet: “We stonden aan de dijk te kijken toen ze aankwamen, maar ze gebaarden dat we weg moesten en dat hebben we toen maar gedaan, want ze waren genoeg bewapend om er ontzag voor te hebben. Na een poosje kwa­men de soldaten uit de schuur naar ons toe en vroegen om water. Daarmee werd de melkpoeder opgelost die ze bij zich hadden. Toen de Duitsers de radio zagen staan wilden ze weten wat voor berichten er doorkwamen. De groep maakte op dat moment geen strijdlustige indruk en maakte het zich zo gemakkelijk mogelijk. Vader besloot naar het gemeentehuis te gaan om te zeggen dat ze aan de deur geweest waren en in de kapschuur zaten. De burgemeester kon het niet waarderen dat de Duitsers water hadden gekregen en zei tegen vader dat als ze naar de burgemeester zouden vragen hij hen maar een andere kant op moest sturen.”

 

Op de werkplaatszolder van Jacob van der Knaap, secretaris van de Rozenburgse Burgerwacht en bovendien beheerder van het wapendepot, waren 44 geweren M.95 en twee kisten met muni­tie opgeslagen. Hier kregen de opgeroepen leden hun geweer uitgereikt en een koppel met patroontas waarvan de inhoud 20 patronen bedroeg. Als herkenningsteken speldden de dochters van Van der Knaap een oranje stofband om een arm van de burgerwachters.

 

Janus Voogt: “Ik ging op de fiets naar de Buurt. Op het moment dat ik bij Van der Knaap aankwam, kwam Jacob Mol, de commandant van de Burgerwacht, daar uit de werkplaats. Hij riep me en zei: ‘Jij bent toch ook lid van de Burgerwacht? Ga maar naar het gemeentehuis, dan kan je daar gaan posten.’ Vlak achter mij kwam Niek Kleijwegt en die kreeg dezelfde opdracht.”

Janus Voogt ging op de fiets naar de Buurt. Links de winkel van Van der Knaap.

Tekening: J.T. Prooi.

 

Leen Degeling: “Eén van mijn eerste confrontaties met de oorlog waren de granaatwolkjes van het Nederlandse luchtafweergeschut die ‘s ochtends vroeg aan de horizon zichtbaar waren. Ik wist niet dat het oorlog was, daar kwam ik pas tegen de middag achter. Ik was 19 jaar toen de oorlog uitbrak en kende vrijwel geen angst en hoefde ook niet lang na te denken toen ik door de Burgerwacht werd gevraagd te helpen bij het arresteren van een aantal Duitse militairen die zich in de open kapschuur van Barendregt hadden verstopt. Ik wist geeneens hoe ik een geweer moest laden. Dat hebben een paar jongens van de Burgerwacht voor me gedaan.”

 

Onder leiding van commandant Jacob Mol en Simon van Helden vertrok de Burgerwacht per fiets richting Zanddijk, want de laatste informatie over de Duitsers was dat deze zich nog steeds bij de kapschuur van Adam Barendregt ophielden, in de hoek Graspolderdijk, Vinkseweg, Kroondomein, bij de dijk langs de Nieuwe Waterweg. Om te voorkomen dat de vijand het centrum van Rozenburg zou kunnen bereiken, splitste de Burgerwacht zich op de hoek van de Zanddijk en de Zandweg in twee groepen. Onder leiding van commandant Mol zou een groep langs de Vinkseweg oprukken. De beste geweerschutters, Huib van der Knaap, J.C. van Dam en P. Kleijwegt, werden vooraan opgesteld, waarna de groep vertrok.

 

De Burgerwacht splitste zich op de kruising van de Zanddijk en Zandweg in twee groepen.

Potloodtekening: J.T. Prooi.

 

Links de Vinkseweg waarlangs de groep Mol optrok.

Tekening: J.T. Prooi.

 

Huib van der Knaap: “We gingen de Vinkseweg in en even voorbij de bocht moesten een aantal burgerwachters naar boven over de dijk. Daar was het Stort, een al jaren daarvoor opgespoten terrein. Aan het einde van het Stort was de dijk een meter hoger. Daar moest ik naar toe en me opstellen. Ik kreeg de opdracht de vijandelijke mitrailleurschutter voor mijn rekening te nemen. En daar lag ik dan. Mijn geweer had ik ingesteld op de geschatte afstand, met de gebrekkige richtmiddelen van toen was dat nog een hele opgave.”

 

 Route Rozenburgse Burgerwacht.

Tekening: J.T. Prooi.

 

Van Helden vroeg een vrijwilliger die per fiets de Graspolderdijk zou moeten gaan verkennen om te zien of de Duitsers zich nog bij de open kapschuur bevonden. Hiervoor stelde Arie van der Meijde zich beschikbaar. Hij liet zijn geweer bij de groep achter en fietste rustig de dijk af. Commandant Mol van de andere groep vroeg twee vrijwilligers om 200 meter verder aan de dijk een observatie­post te betrekken. Roel Booden en Jan Groenewegen gaven zich voor deze taak op. Zij namen stelling achter een heg, vanwaar ze de polder goed konden overzien. Inmiddels was Van der Meijde terug bij zijn groep en rapporteerde dat de Duitsers zich werkelijk bij de open kapschuur van Barendregt ophielden. Volgens de verkenner lag de groep Mol 300 meter vóór boerderij De Vink, achter de rivierdijk. De groep had daar een goed uitzicht op de open kapschuur.

 

Boerderij De Vink aan de Vinkseweg.

Tekening: J.T. Prooi.

 

Anton Geluk en zijn broer Rocus met zijn gezin waren voor het oorlogsgeweld per auto uit hun in de Scheurpolder gelegen boerderij gevlucht. Zij waren het die de burgerwachters bij de Heul het goede nieuws doorgaven dat een afdeling Nederlandse militairen uit de Scheurpolder in aantocht was. 

 

Anton en Rocus Geluk bij de schuur van de Scheurpolderhoeve.

Foto: G. de Bruijne.

 

Voorin de auto zat een militair met een zwart gemaakt gezicht en een revolver in de hand. Hij vertel­de dat na een vuurgevecht in de Noordbankpolder de daar neergekomen Duitsers door een Nederlandse patrouille waren overmeesterd en krijgsgevangen gemaakt. Jacob Mol was van dit alles niet op de hoogte. Hij vroeg of er een vrijwilliger was die naar de Duitsers wilde gaan om hen te bewegen zich over te geven. Het was Daan Weeda die zich meldde. Hij had enige tijd in Duitsland gewerkt en sprak redelijk Duits. Per motorfiets, en voorzien van een witte lap stof, vertrok Weeda naar de kapschuur van Barendregt.

 

Het begon al te schemeren toen er vanuit de richting Staaldiepsedijk een vrachtwagen naderde. Het was de langverwachte afdeling militairen. Deze bestond uit elf man, onder bevel van kapitein Van Loon. Onder hen bevond zich de Rozenburger Piet Doorduin die gelegerd was te Hoek van Holland en nu als gids fungeerde. Nadat Van Loon door de Burgerwacht op de hoogte was gesteld van de laatste ontwikkelingen, reed de wagen behoedzaam enige honder­den meters verder de dijk af, gevolgd door de groep burgerwachters onder leiding van Simon van Helden. Na zijn terugkomst bij de groep van Jacob Mol rapporteerde Weeda dat de Duitsers bereid waren zich over te geven. Aanvankelijk waren zij dat niet van plan, daar zij meenden door Engelsen omsingeld te zijn, waar zij zich beslist niet aan wilden overgeven. Daan Weeda had hen verzekerd dat zij door een overmacht van Nederlanders waren omsingeld. De Duitsers vroegen daarop aan hem of hij op zijn erewoord als Nederlander daarvoor wilde instaan. Nadat hij hen wist te overtuigen, verklaarden zij zich bereid tot overgave aan Nederlandse militairen.

 

Naast de elf soldaten die al gearriveerd waren, kwam er vanaf de dijk langs het Kroondomein per vrachtwagen nog een aantal militairen te hulp. De Duitsers waren nu aan twee zijden ingesloten. Korporaal der mariniers W. Bouwer zou uiteindelijk, samen met twee mariniers en vijf zee­miliciens, voor de ontknoping zorgen. Bouwer tuurde over de dijk en zag schimmen bewegen. Hij aarzelde niet en sprong gevolgd door zijn mannen over de dijk. Ze stonden temidden van de verbaasde tegenstanders en gelastten hen de handen omhoog te doen. Hieraan werd zonder enige tegenstand voldaan, er was geen schot gevallen! De vijand werd snel ontdaan van zijn bewapening. De bevelvoerende Duitser vertelde aan korporaal Bouwer dat ze de Nederlandse militairen nog niet verwacht hadden. Burgerwachter Weeda had hen gewaarschuwd dat er een compagnie oprukte en dat ze er het beste aan deden zich over te geven.

 

Het materiaal dat de Duitsers bij zich hadden was voor Nederlandse begrippen indrukwekkend. Naast hun persoonlijke uitrusting die bestond uit een karabijn of een revolver en handgranaten, werd er een mitrailleur, vitamine, morfinetabletten, poeders, geneesmiddelen en voor vele dagen proviand aan­getroffen. Het bandenkarretje, waarvan de inhoud bestond uit twaalf kisten munitie, kon ook achter een legervoertuig worden gekoppeld.

 

De burgerwachters kwamen opgelucht uit hun posities. De Duitsers werden in gelid opgesteld. Met de Nederlandse militairen ervoor en de Burgerwacht erachter, marcheerde het geheel af naar het gemeentehuis. Aan de Zanddijk en in de Buurt waren veel burgers op de been. Toen de stoet voorbij marcheerde werd er door een aantal burgers spontaan het Wilhelmus gezongen. De duisternis was inmiddels ingetreden. Nadat het gemeentehuis was bereikt rees een nieuw probleem. Waar moesten de Duitsers ondergebracht worden? Het cellenbestand in Rozenburg was niet berekend op zo’n groot aantal personen. 

 

Kapitein Van Loon vernam dat de koeienstal van Bram Qualm naast korenmolen de Hoop, leeg stond. 

Tekening: J.T. Prooi.

 

Besloten werd hen mee te nemen naar de Scheurpolder en vandaar over te brengen naar Fort Maasmond in de Positie Hoek van Holland. Voor het transport werden twee vrachtwagens van Rozenburgse transportondernemingen gevorderd. Eén van Jaspert van der Hout, met als chauffeur diens broer Leen en één van Arie Noordermeer, met als chauffeur Arie Klapwijk. Daar deze wagens weer terug moesten rijden naar Rozenburg werden de burgerwachters Jac. Marsman en Jan Groenewegen als begeleiders aangewezen.

Het was 23.30 uur toen de colonne op weg ging. In de voorste wagen had kapitein Van Loon plaats genomen. Twee militaire auto’s en de twee vrachtwagens reden behoedzaam met gedoofde verlichting door de inktzwarte nacht. Het was vrij rustig in de lucht, het geronk van vliegtuig­motoren, mitrailleur- en geschutvuur was voorlopig verstomd.

 

Jan Groenewegen zat in de cabine van een van de vrachtwagens die bestuurd werd door een soldaat. Deze vertelde dat hij in Tilburg woonde. Zoals hij uit geruchten had vernomen was deze stad gebombardeerd. Uiteraard maakte hij zich bezorgd over zijn gezin. Ter geruststelling kon Groenewegen zeggen dat hem van een bombardement op Tilburg niets bekend was. Er waren zoveel geruchten in omloop dat het maar beter was niet meer te geloven, dan wat absoluut vast stond.

 

Bij de splitsing van de Zanddijk en de Zandweg sprong een soldaat op de treeplank van de vrachtwagen. Ze boden hem een zitplaats aan in de cabine, maar dat sloeg hij af, het ging best zo. Groenewegen gaf hem een sigaret die hij meteen opstak. Aan het begin van de Zandweg werd door de kapitein het sein gegeven te stoppen. De soldaat sprong van de treeplank, maar doordat de schede van zijn bajonet tussen zijn knieën slingerde kwam hij ongelukkig ten val onder de nog rijdende vrachtwagen. In de vrachtwagen voelde men een achterwiel over zijn been gaan. Groenewegen sprong uit de cabine, maar de soldaat stond schijnbaar ongedeerd weer op. Op de vraag of hij niets mankeerde antwoordde hij laconiek: “Niets, ik heb goede benen hoor, alles is in orde.” Groenewegen adviseerde hem om in de cabine te gaan zitten, maar hij verdween alweer om orders in ontvangst te nemen. Later, in de Volkskeet, zou blijken dat het been slechts licht gekneusd was.

 

Er werd verder gereden, de Zandweg af, langs de Staaldiepsedijk, de Krabbepolder door. Op de Krabbedijk, bij de bakkerij van Simon van den Berg, werd opnieuw halt gehouden. Van Loon wilde een tussentijdse inspectie. Alles bleek in orde en verder gingen de vrachtwagens over de polderwegen, langs de Vereeniging tot Landverbetering, de Zeehondenplaat, over de Schutsluis naar de Noordbankpolder. De Volkskeet werd om 2.00 uur bereikt.

Nog diezelfde nacht werden de krijgsgevangenen overgebracht naar Fort Maasmond. De Rozenburgers die het transport hadden meegemaakt wachtte nog een lange weg terug, maar zij kwamen veilig thuis. Op het bureau van de Rozenburgse Luchtbeschermingsdienst trof Groenewegen de burgemeester aan en bracht hem rapport uit over de autorit.

 

Kapitein Van Loon en zijn manschappen, waarvan een deel al ‘s avonds was teruggekeerd naar de Positie Hoek van Holland, konden door de komst van een compagnie van het 2e bataljon Regiment Jagers in de namiddag van de 11e mei terugkeren naar Fort Maasmond. Met het overzetten van de Duitsers naar Fort Maasmond was er op het eiland Rozenburg een einde gekomen aan een bewogen gebeurtenis. Wel werden er nog leden van de Rozenburgse Burgerwacht inzetbaar gehouden en ingeschakeld voor patrouilles, ordonnansdiensten, wachtlopen en voor de bewaking bij de veerdienst tussen Rozenburg en Maassluis.

 

Huib van der Knaap: “Direct na de capitulatie kwam er een lid van de Burgerwacht naar mijn vader met de vraag of de ledenlijst was vernietigd, want als de gevangen genomen Duitsers zou­den doorgeven dat ze mede door een stelletje burgers gevangen waren genomen, zou het er wel eens niet best voor de burgerwachters kunnen uitzien.”

 

De Duitse krijgsgevangenen herkregen hun vrijheid op donderdag 16 mei, nadat een compagnie van het derde bataljon van het 327e Infanterie Regiment van de Wehrmacht de bezetting van het Fort overnam.

 

Volgende