ZONDAG, 12 MEI

 

Komst van de Royal Marines

In Londen was op 10 mei besloten dat naast het zenden van een vernielingsploeg, ook een detachement bestaande uit 200 manschappen van de Royal Marines naar Hoek van Holland zou vertrekken. In de vroege ochtend van 12 mei arriveerde het detachement aan boord van twee torpedobootjagers in Hoek van Holland. Na ontscheping van het detachement vertrokken de marineschepen weer naar zee. 

Zeer teleurgesteld hoorde kapitein-luitenant ter zee J. van Leeuwen het bericht aan dat de bevelvoerende commandant, majoor B.G.B. Mitchell, orders had niet met zijn manschappen deel te nemen aan welke aanvalsactie dan ook. Mitchell deelde Van Leeuwen mee dat de versterkingen die zouden volgen de opdracht hadden zich desnoods vechtend een weg naar Den Haag te banen. Bij een nieuwe poging om het Staalduinse Bos te zuiveren van de daar aanwezige Duitsers kon de Positie-commandant dus geen gebruik maken van de Royal Marines.

 

Uit het dagboek van Jan Groenewegen

 “De kerkdiensten op het eiland Rozenburg gingen, hoewel minder druk bezocht, gewoon door. Vele Rozenburgers deden dienst bij de Burgerwacht of de Luchtbescherming. Ook was men druk bezig met het graven van schuilmogelijkheden voor eigen of gezamenlijk gebruik. Een groep arbeiders was bezig met het graven van een schuilgelegenheid naast het gemeentehuis.

 

Het graven van een schuilgelegenheid naast het gemeentehuis.

Foto's: Gemeentearchief Rozenburg.

 

In de voormalige veldwachterswoning werd een wachtpost ingericht voor de afdeling Luchtbescherming. Jonge meisjes luisterden naar de radioberichten die de routes van vijandelijke vliegtuigen doorgaven en zij tekenden deze routes op. De burgemeester had het bijzonder druk. Onophoudelijk rinkelde de telefoon, telegrammen moesten worden verzonden en er werden besprekingen gevoerd.

 

Tegen het middaguur was er even opwinding. Een Duits vliegtuig dat vanuit westelijke richting overvloog, ongeveer over het gemeentehuis, werd plotseling ingehaald door een Nederlandse jager. Deze jager scheerde er met ratelende mitrailleurs op af, om vervolgens af te zwenken en niet meer terug te keren. Het vijandelijke toestel hield hier blijkbaar geen nadelige gevolgen aan over, want het vloog rustig verder. Een begrijpelijke tegenvaller voor de toekijkende Rozenburgers.”

 

Eenheid Regiment Jagers naar Rotterdam

Kapitein Smeele kreeg op zondagmiddag bericht dat Duitse troepen met rubberboten vanuit Vlaardin­gen zouden oversteken naar Pernis en Rozenburg. De manschappen die er op af werden gestuurd, konden op het oostelijke gedeelte van Rozenburg geen Duitser ontdekken. Voor alle zekerheid staken twee man over naar Vlaardingen, maar ook daar waren geen vijandelijke activiteiten te bekennen. Vermoeiend en zenuwslopend voor de gespannen militairen die rust tekort kwamen. ‘Heel sterk kan men hier denken aan een actie van de zogenaamde vijfde colonne’, aldus het rapport van kapitein Smeele.

Die zondagmiddag bracht nog een teleurstelling voor kapitein Smeele en zijn manschappen. De versterking die hij de vorige middag uit Hoek van Holland had ontvangen, een compagnie plus een sectie met drie mitrailleurs onder leiding van kapitein Barends, kreeg orders om naar Rotterdam te vertrekken. Deze eenheid maakte deel uit van het 2e bataljon van het Regiment Jagers. Bij het uitbreken van de oorlog bevond dit bataljon zich in ‘s Gravenzande, maar werd ter versterking doorgezonden naar de Positie Hoek van Hol­land in verband met een dreigende Duitse aanval.

Overste J.J.C.P. Wilson, hoofd van de sectie operaties van het Algemeen Hoofdkwartier, had geconstateerd dat met de te Rotterdam aanwezige troepen geen aanval over de Maasbruggen onder­nomen kon worden. Een fris bataljon onder leiding van een energieke commandant zou daarvoor voldoende zijn, meende hij. Telefonisch drong hij op die versterking aan.

Het 2e bataljon van het Regiment Jagers werd hem toegezegd. Het bevel kwam om 14.00 uur binnen, maar de compagnie Jagers was verspreid over het gehele eiland Rozenburg en moest zich eerst hergroeperen voordat er kon worden overgestoken naar Hoek van Holland. Daardoor was het bijna 12 uur later voordat het bataljon op weg ging naar Rotterdam. Uitgeput kwam het bataljon in de vroege ochtend in Rotterdam aan. De soldaten zaten met een bord eten in hun hand te slapen. Aanvallen met die troepen was uitgesloten.

 

Leen Assenberg van Eijsden

In de avond van eerste pinksterdag sneuvelde soldaat Leen Assenberg van Eijsden nabij Prattenburg, ten zuiden van Veenendaal. Bij een beschieting door Duits artillerievuur om ongeveer 19.00 uur, zocht Leen dekking achter een boom, maar hij werd toch dodelijk getroffen. In zijn laatste brief naar huis, verstuurd op 11 mei met de veldpost, had hij geschreven: “Stel je eigen maar gerust en maak je maar niet druk over mij, want wij redden ons wel.”

 

Derde van links Leen Assenberg van Eijsden.

 

Op het Militair Ereveld Grebbeberg ligt Leen Assenberg van Eijsden begraven. Leen werd op 18 juni 1917 in Rozenburg geboren als zoon van Jan Assenberg van Eijsden en Baaltje Verhagen. Ze woonden in het eerste huisje aan de Lange Kruisweg, achter het Veerhuis naar het Brielse veer. De familie verhuisde in 1927 naar Pernis-Vondelingenplaat. Later naar Vlaardingen.

 

Stoomschip Roek loopt vast bij de Staartdijk

Medio april hadden de Britten als voorzorgsmaatregel twee oude schepen van de Harwichlijn, eigendom van de London and North Eastern Railway Company, de Saint-Denis (2435 Brt) en de Malines (2980 Brt), naar Rotterdam gezonden. Voortdurend onder stoom lagen zij in de IJsselhaven, een van de kleinere havens tussen Rotterdam en Schiedam. De bedoeling was dat de schepen het Britse consulaat-personeel en de in Rotterdam aanwezi­ge Britse burgers aan boord zouden nemen, wanneer Duitsland de oorlog zou verklaren aan Nederland. Uiteraard zouden in geval van nood ook diegenen die bij het werk van de Britse geheime dienst betrokken waren aan de Abwehr en Sicherheits­polizei kunnen ontsnappen.

Omstreeks het middaguur van de 10e mei slaagde de Malines erin met 160 passagiers aan boord, de Nieu­we Waterweg te verlaten en koers te zetten naar Engeland dat veilig werd bereikt. De Saint-Denis werd op haar ligplaats door eigen bemanning tot zinken ge­bracht. Op 11 mei slaagden de Britse schepen ms. Acclivity (389 Brt) en het ss. Dotterel (1385 Brt) naar de Noordzee te ontkomen.

 

Met aan boord 31 passagiers en 20 bemanningsleden vertrok kapitein W.J. Parkinson in de morgen van de 12e mei met het Britse stoomschip Roek (1041 Brt) uit de Merwehaven in Rotterdam, met als eindbestemming Londen. Het schip dat eigendom was van de General Steam Navigation Company, was geladen met 400 ton strokarton, baaltjes bloem en vaatjes ingemaakte uien.

 

Stoomschip Roek

Foto D. Pilkes.

 

Twintig minuten na het vertrek liep het schip bij Vlaardingen op een magnetische mijn. Door de kracht van de explosie dreef de Roek, slagzij makend, dwars over de Nieuwe Waterweg naar de Rozenburgse oever. Daar liep het schip met de boeg omhoog vast. Dat was bij de Staartdijk, tussen de boerderijen van Klaas Varekamp en Arend Noordam. Bij de achtersteven was aan stuurboord een grote scheur ontstaan. Naderhand bleek dat ook de schroefas was gebroken. De stoom werd afgesloten en twee ankers werden uitgeworpen om te voorkomen dat de Roek naar de vaargeul zou afdrijven.

 

De passagiers werden in de reddingssloepen geholpen en met de schrik in de benen op de Rozenburgse oever gezet. Een te hulp gekomen motorboot sleepte de Roek naar Vlaardingen en nam ook de passagiers aan boord. In Vlaardingen stonden ziekenwagens en medisch personeel gereed om hen op te vangen. Eén opvarende had een been gebroken tijdens het strijken van de sloepen en werd in een ziekenhuis opgenomen. De bemanningsleden kregen opdracht zich te melden aan boord van de Saint-Denis in Rotterdam.

Voordat zij daar heen vertrokken keerde kapitein Parkinson met zijn mannen terug naar de Roek om zoveel mogelijk bagage, geweren en munitie te redden. Uiteindelijk bereikten zij per autobus Rotterdam, maar daar bleek de Saint­Denis tot zinken te zijn gebracht. De bemanningsleden van de Roek en de passagiers werden vervolgens naar Hoek van Holland gebracht, waar men aan boord ging van de Britse torpedobootjager Mohawk, die hen veilig in Tilbury in Engeland aan wal zette.

 

Aartje Varekamp: “Dankzij die baaltjes bloem uit de Roek bakte mijn moeder wit brood. We hebben er ook nog een biggetje mee groot gebracht en dat werd een beste fokzeug.”

 

Volgende