Flying Officer Percy Rowan

Een terugblik op de eerste oorlogsdag. In de vroege ochtend van de 10e mei slaagden de Duitsers erin een groot deel van het vliegveld Ypenburg te veroveren. Het Algemeen Hoofdkwartier besloot zich te richten tot de staf van de RAF, met het verzoek Ypenburg in de middag te bom­barderen. Het verzoek werd ingewilligd. In vier groepen van drie toestellen werd Ypenburg om 15.10 uur, toen het heroverd was door Nederlandse troepen, door twaalf Bristol Blenheim Mk IV bommenwerpers gebombardeerd.

De Blenheims waren niet onopgemerkt gebleven door twee­motorige Messerschmitt Bf 110 jagers. Boven ‘s Gravenzande werd de Blenheim L8828 van 1e luitenant P.J.H. Rowan getroffen en vond in de Noordzee zijn einde. Behalve Rowan vonden ook korporaal T.F.S. Clark en sergeant G. Beardwood de dood. De sergeant werd op het strand van ’s Gravenzande aangetroffen. Hij werd op 13 mei op de begraafplaats van deze gemeente begraven.

 

Het lichaam van 1e luitenant Percival John Hamilton Rowan spoelde op 2 juni aan bij het Stort, achter de Kroondijk langs de Nieuwe Waterweg. Het identiteitsplaatje en het horloge van Rowan werden direct naar Engeland verzonden. Men besloot de piloot ter plaatse te begraven. De teraardebestelling werd uitgevoerd door Leendert de Ronde, grafdelver, Mattheüs Sala, waarnemend hoofd van de Rozenburgse Luchtbeschermingsdienst, en H.M. Moerman, agent van politie. Door Gerrit de Jong en Jan Quak werd de volgende dag, ‘s morgens om vier uur, een aantal paaltjes om het graf geplaatst, verbonden met een ketting en een bord erbij met een opgaande oranjezon: Holland zal herrijzen. Dit geheel is echter na betrekkelijk korte tijd door hoog water weggespoeld.

 

De burgemeester van Rozenburg legt de krans bij het kruis.

Foto: Gemeentearchief Rozenburg.

 

Dat het postverkeer naar Engeland weer werkte, bleek uit het feit dat enige tijd later, ter hoogte van de Stichting Oud Rozenburg bij Loosduinen, vanuit een vliegtuig een krans werd uitgeworpen voor de omgekomen Rowan. De gedropte krans kwam uiteindelijk toch in Rozenburg terecht, waar burgemeester Just de la Paisières hem bij het eenvoudige kruis heeft neergelegd. Het stoffelijke overschot van Rowan werd op zaterdag 15 maart 1941 herbegraven op de Algemene Begraafplaats van Rozenburg. Tien soldaten van de flakstelling bij de boerderij van Berkhout zorgden voor militair eerbetoon. Zij begeleidden Rowan naar zijn laatste rustplaats en vuurden boven het graf een geweersalvo af.

 

Jo C. Stevenson, Hants, Hayling Island, Engeland: “Percy Rowan kwam van Point Cook waar hij was opgeleid, naar het 40e Squadron van de RAF. Net als alle andere officieren van Point Cook droeg hij altijd zijn blauwe Australische uniform. Percy en ik werden vrienden. Als onderdeel van de Advanced Air Striking Force vloog ons Squadron met Fairey Battle bommenwerpers op 2 september 1939 naar Betheniville in Frankrijk om daar vandaan tegen de vijand te opereren.

In november kregen Percy, Bill Peterson en ik drie dagen verlof; we besloten naar Parijs te gaan. De tweede avond gingen we naar een café-restaurant. Toen we door de klapdeurtjes van het café naar binnen gingen kwam, de eigenares van het restaurant op ons af. Ze omhelsde ons en zei dat we de eerste Engelse piloten waren die ze sinds 1918 had gezien. Maar Percy was Australiër, Bill een Canadees en ik een Schot! Ze liet ons een foto zien van haar zoon die gelegerd was in de Maginot-linie. Wij voelden ons daar zó welkom. Het was zo gemoedelijk dat we daar zijn blijven eten en wijn van het huis kregen aangeboden. Door de ingestelde avondklok moesten we helaas om elf uur vertrekken, maar niet zonder een fles cognac die de eigenares, madame Marotte, ons meegaf. Ik heb haar met de kerst nog een kaart gestuurd.

Op 2 december vlogen we terug naar Engeland om over te schakelen op Blenheims. Toen zijn Fairey Battle bommenwerper in een hangar stond, vroeg Percy vanuit de cockpit aan iemand van het grondpersoneel om onder een vleugel van het toestel te gaan staan om een doos met champagne op te vangen, die hij uit Frankrijk had meegenomen. Hij drukte op een knop die je gewoonlijk gebruikt om een bom los te laten. Helaas ging het mis en de doos viel op de betonnen vloer. De borrelende champagne vloeide over de vloer weg.

Met tussenpozen van vijf minuten steeg ons Squadron op 10 mei op, om in vier groepen van drie toestellen Ypenburg te bombarderen. Percy behoorde tot de A Flight en ik tot de B Flight. Twee groepen van de A Flight vlogen voor ons uit en ik leidde de laatste groep van de B Flight. Een probleem was dat de ontstekers die het werpen van bommen van lage aanvalshoogte mogelijk maakte, niet beschikbaar waren. We moesten tot 1000 voet klimmen om het vliegveld, dat vol stond met vliegtuigen, te kunnen bombarderen. Het rechter toestel van mijn groep, gevlogen door sergeant Robertson, werd getroffen door Duitse jagers. Robertson en zijn navigator kwamen om het leven.”

1e luitenant Percy Rowan.

Foto: E.H.A. Jefferies.

 

Eleanor Jefferies-Rowan, Mount Claremont, Australië: “Mijn halfbroer Percy werd geboren op 29 januari 1916 in Perth. Zijn vader was Archibald Hamilton Rowan, zijn moeder Madeleine Rowan-Brown. Beide families waren pioniers en vestigden zich in 1850 en 1862 in Australië, zij waren gerenommeerd in de streek waar ze woonden. De familie Rowan heeft een grote militaire historie. Zo namen onder andere vader en oom Percy deel aan de Boerenoorlog in Zuid-Afrika. Oom Percy vocht ook in de Eerste Wereldoorlog, maar sneuvelde. Mijn halfbroer werd naar hem vernoemd. Voordat Percy in januari 1937 naar Point Cook vertrok voor zijn opleiding bij de Royal Australian Air Force had hij gesolliciteerd voor een baan als leraar. De bevestiging dat hij was aangenomen kwam pas enkele maanden later, op de dag van zijn vertrek naar Point Cook. 

Je kunt wel zeggen dat het noodlot hem naar de oorlog stuurde. Vanaf 15 juli 1938 had hij voor vijf jaar een aanstelling bij Bomber Command van de RAF. Wij werden op de hoogte gebracht dat Percy vermist werd, maar pas twee maanden later werd bekend dat hij dood was. Mijn moeder, zijn stiefmoeder, zei altijd dat hij te lief en te zacht was voor oorlog; hij was een dromer. Mijn vader was zeer aangedaan door het verlies van zijn zoon en ik weet zeker dat dit zijn leven verkort heeft. Hij overleed op 64-jarige leeftijd. Ik heb van Percy een doos met schoolrapporten, een paar foto’s en wat losse spullen. Het is vreselijk te weten dat dat het enige is wat over van hem is: een doos met herinneringen en een graf, ergens ver weg.”

 

De omgekomen korporaal Clark van de Blenheim L8828 spoelde op zaterdag 15 juni op het strand van Rockanje aan. Zoals dat bij drenkelingen gebruikelijk was begaf dokter J.H. van Soest zich naar de lijkschouw. Maar op dat moment was het niet mogelijk om het stoffelijk overschot voldoende te identificeren. De Duitsers hielden het er op met een Luftwaffe piloot van doen te hebben. Een aantal inwoners van Rockanje moest onder dwang van de bezetter de begrafenis bijwonen, waaronder burgemeester P.F. Zeeman en dokter Van Soest. Dominee J.W. Kobus zou in het Duits het Onze Vader bidden. 

Daarnaast gaf ook de plaatselijke NSB acte de présence, zodat naast de krans van de Wehrmacht ook bloemen van de NSB moesten getuigen van medeleven. Op het laatste moment volgde een niet verwachte aanpas­sing van de begrafenis toen bleek dat het om een Brit ging. Blijkbaar was het voor hen moeilijk om de plechtigheid niet te laten doorgaan. Wellicht hebben de Duitsers hun gezicht niet willen verliezen. Dominee Kobus las een Engelse tekst en werden de krans van de Wehrmacht en de bloemen van de NSB op het graf van de korporaal neergelegd. Ten slotte hield ook de commandant, kapitein Günther, een grafrede.

 

Volgende