Koperwerk op de Beer

 

 

De mooie kandelaar van oma.

Collectie W. de Bruin.

 

Op woensdag 18 juni werd bekend gemaakt, met een door rijkscommissaris Seyss-Inquart getekende verordening, dat de Nederlandse bevolking alle uit koper, nikkel, tin of lood gemaakte voorwerpen moest inleveren voor de Duitse oorlogsindustrie. In de kranten stond een lange lijst van gebruiksvoorwerpen om duidelijk te maken waarom het ging; asbakken, bloempot­ten, borstel­garniteuren, emmers, stoffers en blikken, scha­en, zeven, lucifer- en rookstandaards, presenteerbladen, vazen, vogelkooien en andere gebruiksvoorwerpen, dat alles uiteraard voor zover zij uit de genoemde metalen vervaardigd of bewerkt waren. Overheidsinstanties en bedrijven dienden een deel van hun voorraden van die metalen, of de daaruit vervaardigde eindproducten, in te leveren. Uitgezonderd van deze inleveringsplicht waren; monumenten, kerkklokken, voorwerpen in gebruik bij kerkdiensten, orgels, museumstukken, onderdelen van de volksdracht, orde- en eretekens en voorwerpen die historische, artistieke of antiquarische waarde hadden.

 

Alle gemeenten moesten inleveringsbureau's oprichten. De inlevering moest uiterlijk op 10 augustus beëindigd zijn. Wie de verordening ontdook zou met gevangenisstraf tot een maximum van vijf jaar gestraft worden, dan wel met een geldboete van onbeperkte hoogte, eventueel met gevangenisstraf plus geldboete. Deze maatregel werd met grote ergernis door de bevolking ontvangen. Heel wat van dit huiselijk gerei verhuisde, goed verborgen, naar zolders en kelders of werd in tuinen begraven. De bezetter had berekend dat minstens 8.000 ton ingeleverd zou worden, wellicht tussen de 1.500 en 2.000 ton door het bedrijfsleven en tussen de 6.000 en 6.500 ton door de burgerij. Voor het bedrijfsleven was het in veel gevallen moeilijk zich aan de inleveringsplicht te onttrekken. In totaal werd iets meer dan 3.000 ton ingeleverd, waarvan ongeveer 1.500 ton door het bedrijfsleven en eenzelfde gewicht door de burgerij. De totale opbrengst viel de Duitsers bitter tegen.

 

Jachtopzichter Willem Pols omstreeks 1938.

Foto: W.E. Pols.

 

De jachtheren van het jachtgezelschap Scheurpolder vertikten het hun koperwerk aan de vijand af te staan. Aan jachtopzichter Pols werd gevraagd of hij er raad op wist. Pols haalde de koperen spullen op in Rotterdam. Toen de jachtopzichter met twee koffers bij het NS-station in Hoek van Holland uitstapte, kwam er een Duitser op hem af. Hij kende Pols beroepshalve en vroeg wat hij bij zich had. “Patronen om duiven te schieten”, antwoordde Pols. Even later liepen er twee Duitsers behulpzaam met de koffers koper en tin van de jachtheren te sjouwen van het station naar de veersteiger. Het koperwerk werd zorgvuldig begraven op de Beer, het gebied dat Pols kende als zijn broekzak. Nadat de Duitsers op grote schaal met bunkerbouw begonnen moest Pols, geassisteerd door zijn oudste zoon Arie, alles weer opgraven. De metalen voorwerpen werden ondergebracht in hun woning en op verschillende plaatsen in Rozenburg bij familie en kennissen.

 

Een zwarte dag voor No. 2 Group

Zeventien Blenheim bommenwerpers van de No. 2 Group van de RAF voerden op 28 augustus vroeg in de avond een aanval uit op schepen en installaties in de havens van Rotterdam. Ter beveiliging werden de bommenwerpers begeeid door 24 Spitfires van het 19e- en 152e Squadron. Volgens het aanvalsplan draaiden de Spitfires van het 19e Squadron naar het noordwesten en die van het 152e Squadron naar het zuidoosten. De jagers moesten het aan te vallen gebied afsluiten voor eventuele Duitse toestellen. Na de aanval moesten de Blenheims in noordwestelijke richting vliegen, waar het 19e Squadron de bommenwerpers zou opwachten. Het 152e Squadron zou voor rugdekking zorgen door de Blenheims vanuit het zuiden te volgen. Terwijl de Blenheims ten kostte van grote verliezen de aanval uitvoerden, raakten Spitfires ten noorden van het Waterweggebied in gevecht met Mes­serschmitt 109 toestellen.

Onbekend is of het door granaatvuur van de gevechtstoestellen of door afweergeschut kwam, in elk geval werd de kapitale schuur van Piet de Bruijne in de Scheurpolder getroffen en vloog daarbij in brand. Het vuur sloeg over naar de ernaast staande schuren die ook verloren gingen. Dankzij de gunstige wind en ingrijpen van zowel de Rozenburgse brandweer en die van Hoek van Holland, bleef het woonhuis gespaard.

 

 

 

 

De ravage was enorm.

Foto's: G. de Bruijne.

 

Volbrecht van der Meer: “Toen de oorlog uitbrak was ik 14 jaar, ik was in april pas van school gekomen. Dan was je natuurlijk al een hele vent en ik had weldra werk bij Adam Barendregt aan de Zuidzijde. Daar was steevast werk, zeker wanneer de oogst binnengehaald moest worden. Het was altijd vroeg opstaan, zo vroeg zelfs dat het land vaak nog te nat was om er iets te doen. Bij het binnenhalen van de erwten haalden we dan ook ‘s avonds nog een wagen vol binnen, die gingen we dan de volgende morgen lossen. Ondertussen konden de erwten die nog op ruiters op het land stonden, drogen. Die avond gingen we met z’n vijven, Gerrit Vermeer, Janus van Oudenaarden, Aart Quak, Henk Barendregt en ik, na het eten met een paard en wagen en twee paarden naar het land om erwten te laden. Zo waren we al een tijdje bezig, twee man op de wagen, de anderen er naast om op te geven.

Plotseling klonk er een zwaar gedreun vanuit de richting van Blankenburg. Ik schat dat het een uur of zeven geweest zal zijn, want de wagen was voor de helft geladen. Toen we opkeken zagen we ongeveer tien bommenwerpers vlak over de Zuidzij heen scheren en onze richting opkomen. Die vlogen zó laag dat je de bemanning kon zien zitten achter hun mitrailleurs.

Veel tijd om te kijken hadden we niet, want we werden beschoten. Niet door de vliegtuigen, maar door Duitsers die met alles wat zij hadden op die vliegtuigen schoten. De stelling op ‘t Stort bij Varekamp was in de laagste stand gedraaid en schoot vrijwel horizontaal over de polder. Het gebeurde allemaal in een flits. Ik dook onder de wagen en ook de anderen lieten zich vallen of sprongen van de wagen. Op hetzelfde moment ontplofte er vlakbij een granaat van het afweergeschut. Gerrit, Janus en Aart kregen een aantal scherven in hun armen en benen. Daar moesten zij nog voor naar het Diaconessen Ziekenhuis in Rotterdam. Henk en ik hadden geluk; wij bleven ongedeerd. Henk had zich plat op de wagen laten vallen en was evenals ik gered door het dikke hout van de wagen.

We zagen hoe de vliegtuigen hun bommen lieten vallen op de olietanks bij Pernis en over Voorne-Putten terug naar zee vlogen. Eén van de paarden was doorzeefd met granaatscherven. Het arme dier stond ter plaatse leeg te bloeden. We hebben het nog mee naar de boerderij genomen, maar daar moest het toch worden afgemaakt. Het gekke is dat het andere paard dat er stijf naast stond, niet was geraakt.”

 

In haar dagboek schrijft Lijntje Moree: “Het is avond, bij zeven uur en nog rustig en licht. Opeens uit de verte horen we het geronk van vele vliegtuigen en hoor ik op de weg roepen: ‘Allemaal Tommy’s!’ Wij rennen allemaal naar het raam en zien ze zó laag vliegen, dat het lijkt alsof ze onder de telefoondraden door willen vliegen. Veel mensen wuiven naar de piloten van de Engelse machines en je ziet ze ook rustig terugwuiven. Dan tegelijk horen we de knallen van het afweergeschut. De granaten suizen door de lucht en het is een angstig ogenblik als er één geraakt wordt en neerstort.”

 

 2e Luitenants Frank Orme, links, en Stanley Gunnis.

Foto's: J.G. Onderwater.

 

De aanval kostte de RAF twee Spitfires en zeven Blenheims, waarvan er één binnen de gemeente Maassluis en twee op het eiland Rozenburg neerkwamen. De Blenheim V6436, getroffen door het geschut van Duitse marinevaartuigen die in de haven van Maassluis lagen, crashte met een daverende klap op het weiland van Chardon achter de Govert van Wijnkade te Maassluis. De bemanning, bestaande uit 2e luitenant Frank Orme, 2e luitenant Stanley Gunnis en 2e luitenant Albert Collins, kwam hierbij om het leven. Het terrein werd onmiddellijk afgezet door Duitse militairen, zodat het voor niemand toegankelijk was. Nadat de brokstukken van het toestel door de Duitsers waren weggehaald, kreeg de politie van Maassluis opdracht de stoffelijke resten van de bemanning te bergen.

 

In een rapport aan B & W van Maassluis schreef hoofdagent E. Slootheer het volgende: “Deze lijkenresten bleken op het weiland verspreid te liggen over een oppervlakte van ongeveer 0.5 km². Door de EHBO’ers werden de resten verzameld en in één kist gedeponeerd. De kist met lijkenresten, deze waren totaal verpulverd, werd overgebracht naar de Algemene Begraaf­plaats alhier en vervolgens door de Wehrmacht op 30 augustus naar Hoek van Holland vervoerd en aldaar ter aarde besteld. Noch de identiteit, noch het herkenningsteken van het verongelukte vliegtuig, kon hier worden vastgesteld”.

 

De Blenheim L9379 werd getroffen door granaten van het Duitse afweergeschut en stortte neer in de Scheurpolder. De bemanning bestond uit 2e luitenant Tudor Gwynn Edwards, 2e luite­nant Frederick Arthur Letchford en sergeant Frank Tweedale. Zij behoorden tot het 88e Squadron dat was opgestegen vanaf het vliegveld Swanton Morley in Engeland. De drie bemanningsleden vonden de dood.

 

Grafstenen van de omgekomen bemanningsleden.

Foto's: J. Prooi.

 

Een vuurstoot uit de boordwapens van een Messerschmitt trof de Blenheim Z7435 van het 21e Squadron en maakte een einde aan het leven van de sergeants Kennet Hayes, Allan Arthur C. Shaddick en Raymond Frank Brain. De bommenwerper stortte neer op het westelijk deel van het eiland Rozenburg. Alleen sergeant Brain kon worden geïdentificeerd.

De volgende dag bracht Piet van den Blink, met paard en wagen, de zes stoffelijke overschotten naar de steiger op de Beer, vanwaar zij werden overgevaren naar de Berghaven te Hoek van Holland. Met een vrachtwagen van de Wehrmacht werden de omgekomen vliegers naar de plaatselijke begraafplaats overgebracht.

 

 

Met militaire eer werden de omgekomen bemanningsleden begraven.

Foto's: Stichting Nederlands Kustverdedigingsmuseum Fort aan den Hoek van Holland.

 

Op 1 september werden negen omgekomen militairen van de No. 2 Group met Duitse militaire eer begraven op de Algemene Begraafplaats in Hoek van Holland. Hierbij moet nog worden toegevoegd sergeant Dennis Mackan en sergeant George Brittain die respectievelijk op 4 en 13 september werden begraven. Zij behoorden tot de bemanning van de Blenheim Z7447 van Squadronleider Richard Shuttleworth. Dit toestel werd getroffen door flakgeschut en stortte in de Noordzee. Mackan en Brittain spoelden aan te Hoek van Holland. Shuttleworth overleed op 28 augustus aan zijn verwondingen in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam. Hij werd op de Nieuwe Oosterbegraafplaats aldaar begraven.

 

*******

 

Bericht aan Jan de Bruin 

Collectie: W. de Bruin.

 

Naar hoofdstuk 6 van 10

Naar hoofdmenu