De Arbeidsinzet

De Duitse overheid riep arbeiders uit Nederland op om in Duitsland te gaan werken. Er was door de oorlogsinspanningen een groot tekort aan arbeiders ontstaan en dit moest met mannen uit de bezette gebieden worden aangevuld. Al voor mei 1940 waren werklozen naar Duitsland gegaan om aan een uitzichtloos bestaan in eigen land te ontkomen. In 1938 vertrokken 18.000 Nederlanders naar het oosten om daar hun geluk te zoeken. In 1940 probeerden de Duitsers greep te krijgen op de Nederlandse werklozen. Arbeid in Duitsland werd voorgesteld als een verademing, na jaren van ellende in eigen land. Affiches en brochures met gezonde boeren en opgewekte arbeiders wilden het doen voorkomen alsof men in Duitsland een bijdrage kon leveren aan de toekomst van Europa. Dit sprak sommigen wel aan. In 1940 en 1941 gingen duizenden Nederlandse vrijwilligers naar Duitsland, aangezien hen daar arbeid werd beloofd. Toch waren de Duitsers niet tevreden. Er was meer dwang nodig om Nederlanders massaal naar Duitsland te krijgen. Tussen maart 1942 en september 1944 stelden de Duitsers de tewerkstelling in Duitsland wettelijk verplicht. Na september 1944 probeerde de bezetter mannen met alle mogelijke middelen te grijpen.

 

 

Via contactpersonen probeerden enkele Rozenburgers te voorkomen dat zij in Duitsland tewerkgesteld zouden worden. De groep bestond uit Gerrit en Klaas Boer, Aart van der Houwen, Janus van Vark, Jaap van der Vliet, Arie en Daan Weeda en Leen Voogt. De Rozenburger Cornelis Boer had contact met een Rotterdammer die arbeiders ronselde voor een aannemer uit Haarlem die voor de Wehrmacht in Frankrijk werkte.

De groep vertrok op 5 maart naar Duitsland. Tenminste, dat dacht men in Rozenburg. In plaats van de trein die hen naar Duitsland zou brengen, namen ze in Rotterdam de trein richting Frankrijk. Daar kreeg Klaas Boer na drie weken een keelontsteking, waarna hij terugging naar Rozenburg.

 

Aart van der Houwen: "Aangekomen op de werkplek deden we niet veel, maar verdienden wel een goed loon. Janus Vark en Arie Weeda gingen na een week weer terug naar huis. Zelf was ik na zes weken weer thuis omdat mijn vader geopereerd moest worden. Ik was één dag thuis en toen waren die anderen ook weer op Rozenburg. Dat was met Pasen. Aart naar huis, dan wij ook naar huis was hun mening. Toen we naar Frankrijk teruggingen liep het bij de grenscontrole bijna mis. Door Daan Weeda die een mondje Duits sprak, konden we verder reizen. Jaap van der Vliet kreeg een eeltzweer in een hand. Vier dagen lang gingen we met z’n allen bij hem op bezoek, want hij wilde helemaal niet naar een ziekenhuis. Met Pinksteren mochten we officieel met verlof. We zijn niet meer teruggekeerd naar Frankrijk, want we stonden niet meer op een lijst voor de Arbeidsinzet."

 

Op donderdag 29 april kon men in de dagbladen lezen dat ex-militairen van het voormalige Nederlandse Leger zich moesten melden om in krijgsgevangenschap te worden weggevoerd. Al in februari van dat jaar had Himmler aan Hitler voorgesteld om 300.000 leden van het voormalige Nederlandse Leger weer krijgsgevangen te maken. Zij zouden bij de Arbeidsinzet als goedkope krachten tewerkgesteld moeten worden. Het was overigens niet de bedoeling hen allen naar Duitsland over te brengen. Wie in de Nederlandse bewapeningsindustrie of in de landbouw werkzaam was, zou na aanmelding vrijgesteld worden. Van de niet-vrijgestelden zou een deel bij de bouw van de Atlantikwall in ons land tewerk worden gesteld. Voor de overbrenging als krijgsgevangenen naar Duitsland zouden dan een kleine 200.000 man overblijven.

 

De Rozenburgers die voor krijgsgevangenschap in aanmerking kwamen, werden merendeels vrijgesteld omdat zij bijna allemaal in de land- of tuinbouw werkzaam waren of op de Beer werkten aan de Atlantikwall. Voor enkele uitzonderingen kon een oplossing gevonden worden. Dat betekende voor ruim honderd Rozenburgse voormalige dienstplichtigen hun voorlopige redding om te ontkomen aan de Arbeidsinzet.

 

Commissaris-generaal Schmidt gaf op 6 mei bevel dat alle mannelijke personen tussen 18 en 35 jaar zich bij de Rijksarbeidsbemiddeling moesten melden voor werk in Duitsland. Voor bepaalde categorieën werd een uitzondering gemaakt. Op basis van deze registratie riepen de arbeidsbureaus de mannen van de jaarklassen 1921 tot en met 1924 op en verklaarden de vrijstellingen die voor deze groep bestonden, nietig. Alleen studenten en mijnwerkers werden niet opgeroepen. Dit keer werden zelfs landarbeiders aangewezen. Zoals de illegale groepen de ex-militairen opgeroepen hadden zich niet te gaan aanmelden, zo deden zij eveneens hun best diegenen die tot de opgeroepen jaarklassen behoorden er van te weerhouden naar een Gewestelijke Arbeidsbureau te gaan. Voor velen kwam toen de beslissende vraag: wat moet ik doen, aanmelden voor tewerkstelling in Duitsland of onderduiken.

 

Daan Kleinendorst

Op donderdag 5 augustus 1943 vertrekt Daan Kleinendorst naar Duitsland. Uitgeleide gedaan door v.l.n.r: Adam Barendregt, vader Henk Kleinendorst, dan Daan zelf, Ko Barendregt, Ans de Knegt, broer Henk en Jana Barendregt.

 

Aan boord van de veerboot Hoofdingenieur van Elzelingen.

Collectie J. Prooi.

 

V.l.n.r: vader, broer Henk en Daan Kleinendorst.

Collectie: John Prooi.

 

Leen Degeling: "Ook ik kreeg een oproep om in Duitsland te gaan werken. Op een middag zou ik om drie uur via Maassluis aan mijn reis naar Duitsland beginnen. Omdat het spoor waarover mijn trein moest rijden was gebombardeerd, werd de reis uitgesteld. Later volgde een nieuwe oproep, maar ik had ondertussen een briefje op de kop getikt waarin stond dat ik op Rozenburg niet gemist kon worden. Met dat briefje ging ik naar Vlaardingen waar aan de Westhavenkade het Gewestelijk Arbeidsbureau gevestigd was. Daar zat een officier die het briefje las. Hij observeerde mij een tijdje en heeft me, met een enorme vloek, zeer hardhandig naar buiten geschopt. De man had in de gaten dat dit geen zuivere koffie was, maar ik was mooi gevrijwaard van tewerkstelling."

 

Henk Bergwerff: "Na onze schooltijd werkten Arie van Spronsen en ik al op jeugdige leeftijd bij de firma Kans en Arkenbout. Arie was in juni ‘43 met onder meer Adriaan Voorberg, Leen Voorberg en Jaap Vos voor de Arbeidsinzet in Dresden. In maart ‘44 kreeg Arie verlof. Hij besloot niet meer terug te gaan en onder te duiken in Maassluis. Toen hij op een keer naar Rozenburg wilde gaan, werd hij bij de veerboot gepakt. Via het hoofdbureau van politie Haagse Veer in Rotterdam werd hij naar het concentratiekamp Amersfoort overgebracht. In dezelfde tijd werd ik na verraden te zijn in Delfgauw, als onderduiker gearresteerd. Via Delft en Den Haag werd ik naar Amersfoort overgebracht. Het heeft zo moeten zijn dat ik precies op dezelfde dag als Arie van Spronsen daar aankwam. Ik ben bij hem in de groep gaan staan. We moesten alles inleveren en werden kaal geschoren. Met kampkleding aan kwamen we in blok 10 terecht.

 

Henk van Aart Quak woonde aan de Bomendijk.

Foto: W. de Bruin.

 

De volgende dag ontmoetten wij Henk van Aart Quak van de Bomendijk die daar al geruime tijd gevangen zat. Hij gaf ons nuttige adviezen; bijvoorbeeld hoe je het best de kapo’s en de bewakers kon ontwijken. Henk werd begin april op transport gesteld naar het concentratiekamp Buchenwald.

Arie en ik werden op zaterdag 20 april ‘44 met ongeveer 600 man naar Duitsland overgebracht. De dag voor ons vertrek zijn onze vaders Piet van Spronsen en Joris Bergwerff nog koffers met kleding komen brengen. Wij hebben hen niet ontmoet, ze moesten de koffers bij de wacht afgeven. In Amersfoort konden ze bij behulpzame mensen overnachten. We kregen de koffers toen we naar de oude treinwagons moesten. Met acht man in een kleine coupé en op elke twee coupés was er een bewaker. In Enschede was het onze bewaker die als eerste met zijn geweer op twee mannen schoot die probeerden te ontsnappen. In Rheine werden we met 200 man in een oude boerenschuur ondergebracht.

 

De volgende morgen moesten we om vijf uur opstaan en om zes uur aantreden voor appél. Er werden schoppen, houwelen en rieken uitgedeeld en vertrokken we naar het vliegveld Hopsten-Einhoff nabij Dreierwalde, zo’n 30 kilometer voorbij Rheine. Onder erbarmelijke omstandigheden werkten we elke dag van zes tot zes. We moesten leven van twee boterhammen en wat waterige soep. In enkele weken tijd waren we sterk vermagerd. We konden ons geluk niet op als we af en toe een pakket van thuis kregen. Twee keer kregen we een pakket met zelfgebakken brood van Jaap Vos. Jaap zat bij een bakker in Dresden. In een van die broden zat een kokertje met een bemoedigend briefje. Onvergetelijk...

 

We zijn gevlucht op 28 november ’44 en zijn toen in Greven bij een boer gaan werken waar Arie van Spronsen al eerder ingekwartierd was geweest. Hij bleef er ondergedoken tot aan de bevrijding. Zelf had ik minder geluk. Op zondag 17 december werd ik opgepakt en in een oud kasteel in Münster, waar ook de Gestapo zat, gevangen gezet. Een week daarna werd die stad drie nachten achter elkaar zwaar gebombardeerd. Met 14 man zaten we in een cel, maar we bleven wonder boven wonder gespaard. Het kasteel bleek zó zwaar beschadigd te zijn dat we buiten Münster in een barak bij het vliegveld Loddenheide werden ondergebracht. Na drie weken werd dit opgeheven en werd ik met 20 jongens die jonger waren dan 20 jaar, in een arbeidskamp geplaatst en weer op een vliegveld tewerkgesteld. Het was een barre winter, waarin we veel honger en kou hebben geleden.

 

Op 1 april ‘45 werden we door de Amerikanen bevrijd. Bij een boer in Marieënfeld heb ik met een jongen uit Amsterdam twee weken onderdak gekregen tot de gevechten in de bossen waren afgelopen. We besloten naar de Nederlandse grens te gaan lopen. In Warendorf werden we door de Amerikaanse Militaire Politie opgevangen en kregen we tijdelijk onderdak. Na precies een jaar, op 20 april ‘45, konden we hals over kop met een transport mee richting Antwerpen. Twee dagen later kwamen we met ongeveer 100 man in Valkenswaard aan. Daarna heb ik ook nog aan de zeewering bij Krabbendijke gewerkt. Op 6 juni werden we met de trein, je raad het nooit, naar kamp Amersfoort gebracht. Het was een weerzien, maar onder betere omstandigheden en maar voor één nacht. Ik vertrok op 7 juni naar Rozenburg en was eindelijk weer thuis."

 

Korstiaan van der Knaap moest zich op maandag 19 juli melden met schop, pikhouweel, eetgerei, arbeidskleding en een deken in het Lager van de OT in Wijk aan Zee. Vandaar werd hij op transport gesteld. Na twee dagen arriveerde hij, tezamen met 150 man van diverse nationaliteiten, in een Lager even buiten Berlijn.

 

Kors van der Knaap: "Het eerste wat ons geleerd werd, was het aantreden voor appél. Ik had me laten inschrijven als loswerkman. Na vier weken vertrokken we met een goederentrein, met ongeveer 40 man in één wagon, uit Berlijn. Pas na drie weken werd onze bestemming bereikt, dat was Kiev in de Oekraïne. Wat heb ik daar een honger geleden. We werden ingezet voor het herstellen van gebombardeerde wegen.

Toen de Bauführer op een dag zag dat ik een ouwe Ford weer op gang kreeg en begreep dat ik in het bezit was van een rijbewijs, werd ik onmiddellijk Kraftfahrer op een Opel-Blitz vrachtwagen. 

 

Ik werd Kraftfahrer op een Opel-Blitz vrachtwagen.

 

Ik werd ingezet om naar het front te rijden. Een Fries weigerde dit en hij werd door de Duitsers doodgeschoten; je had geen keus. Zo zat ik dikwijls tussen de frontlinies van de Duitsers en Russen in. Voor bevoorrading heen en met gewonde militairen weer terug. Ik reed voor mijn eigen hachie zo hard mogelijk. Als ik een gewonde verloor in de vuurlinie stopte ik niet. Ik heb overwogen naar het Rode Leger te ontsnappen, maar ging ten slotte toch naar Tsjechische partizanen. Bij zeer strenge vorst raakten we ingesneeuwd en leefden we op brokken suiker. Uiteindelijk werd Tsjechoslowakije bevrijd door de Russen. Toen volgde een lange reis terug naar huis. In juli ‘45 keerde ik terug in Nederland. Dat ik er levend afgekomen ben is een wonder."

 

Thijs Groeneveld: "Ik kwam bij een boer in Duitsland te werken die dertien zonen had. Daarvan zijn er twaalf gesneuveld en de laatste werd door de Sovjets meegenomen. Ik ben op een ouwe fiets naar de goeie kant van Berlijn gegaan, om in Osnabrück bij Kors Pols terecht te komen. Toen ik daar aankwam zei Kors: ‘Ik heb nog één ei, dat vreet jij eerst op!’ Dat was Kors ten voeten uit; een grote mond, maar een goed hart."

 

Adriaan Voorberg: “Op zaterdag 27 maart 1943 ging ik met Jaap Vos, Arie van Spronsen en Leen Voorberg met de trein richting Duitsland. Via Amersfoort met een lokale trein naar Oldenzaal. Ik kreeg een zere rug van de zware koffers die bijna niet te tillen waren. Van Oldenzaal naar Bentheim. In Lönen moesten we overstappen op een trein naar Hannover, waar we zaterdagavond om elf uur aankwamen. Vanaf deze stad naar Maagdenburg in een tweede klas coupé op pluche kussens. We hebben vaderlandse liedjes gezongen en ‘Als g’ in nood gezeten’. We waren ’s nachts om half een in Maagdenburg. Dan naar Leipzig en verder met een sneltrein naar het einddoel: Dresden.

Dat laatste stuk heb ik op een tussenbalcon gestaan, waar het erg waaide. Om negen uur in de morgen kwamen we in Dresden aan. We kunnen niet merken dat het zondag is. Wat een verschil met een week geleden toen ik belijdenis deed. Zondagmiddags mochten we het lager uit. We gingen op zoek naar het adres van Leen Voorberg, maar hij was niet thuis.

 

Als g' in nood gezeten, geen uitkomst ziet, wil dan nooit vergeten:
God verlaat u niet. Vrees toch geen nood! 's Heren trouw is groot,
en op 't nacht'lijk duister, volgt het morgenrood. Schoon stormen woeden,
ducht toch geen kwaad; God zal u behoeden, uw toeverlaat.


Maandag 29 maart. ’s Morgens om half zeven ben ik naar het Arbeidsbureau gegaan met een bang hart. Ik trok de stoute schoenen aan en vroeg aan de directeur of ik in mijn vak kon blijven. Het was akkoord. ’s Middags ben ik met mijn toekomstige baas naar het politiebureau en vervolgens naar het distributiekantoor geweest. Ik woon in een ‘vlooien theater’, waar ik op een kamer moest slapen met vier Litouwers en een Belg. Van maandag- op dinsdagnacht kon ik niet slapen van de jeuk.

De volgende morgen ben ik om zeven uur met mijn werk begonnen tot ’s avonds zes uur, met schafttijden van half negen tot half tien en van half een tot één uur. Ik heb de gehele dag werk klaargemaakt voor de aflap- en penmachine. Volgende week leer ik van Peter, een Litouwer, met deze machine’s te werken.

Een andere Litouwer zit de hele week achter de stikmachine en een Fransman achter de uitpoetsmachine. Een paar Duitse vrouwen zitten de hele dag te poetsen. Een winkeljuffrouw is er voor het inpakken. Terwijl de baas, een goede man, de winkeljuffrouw helpt. Met ons bemoeit hij zich niet. In een zijstraatje is de lijmafdeling gevestigd, waar drie man werken. Ik heb mijn bed vol met insectenpoeder gestrooid, misschien helpt het wel. De baas zal een restaurant voor mij opzoeken, anders kom ik ’s zaterdags bij hem in; hij woont buiten de stad. Ik heb vanavond bruine bonen met spek gekoot. Ze smaken best, al heb ik ze niet in de week gezet.

 

Woensdag, 31 maart. Vanmorgen vanwege die aardige beestjes al om vijf uur uit mijn bed. Ik heb me voorgenomen om aan de baas te vragen of ik vanavond bij hem thuis kan slapen, want zo houd ik het niet langer vol. Ik had mijn bed volgestrooid met insectenpoeder, maar het heeft niet geholpen. Je zou er het heen en weer van krijgen als zoveel vlooien aan je liggen te knagen. Mijn lichaam zit vol met bulten, maar de Litouwers voelen niets.

Er is een groot verschil tussen een dorpsschoenmaker en een stadsschoenmaker. Bovendien zijn Hollanders handarbeiders en Duitsers zijn machinearbeiders. De Litouwers zijn bijna niet te verstaan. Maar ik zal volhouden en mijn best doen, dan kom ik straks als een goede schoenmaker terug in Holland.

De baas heeft een goed restaurant voor me gevonden en ik heb mij voorgenomen om daar mijn middageten te gebruiken. Mijn eerste maaltijd daar bestond uit aardappelen met zuurkool, aardappels met kroten en griesmeelpap. ’s Avonds ben ik weer naar het restaurant gegaan omdat er misschien Hollanders zouden komen. Een juffrouw zei dat ze dinsdag kwamen. Ik dronk een glas bier en ging naar de wc om te kijken of ik nog vlooien kon vangen. Ik was net op tijd, want onder de 16 die ik ving, zaten er twee op elkaar, dus had ik binnenkort nog vlooien kunnen fokken ook.

’s Middags kreeg ik van de baas te horen dat ik niet meer op de kamer bij de Litouwers hoefde te slapen. Ik kreeg een kamer in de Kirchengasse 1. daar woont nu nog een Deen, maar die vertrekt binnenkort. Ik kan daar zolang op de divan slapen. Wat een uitkomst! ’s Avonds heb ik er mijn koffers gebracht en met mijn baas meegegaan naar zijn huis. Het is een aardige vent die met me meevoelt. Ik heb hem verteld wie ik was en waar ik vandaan kwam. We hebben het ook nog over de politiek gehad. Hij is niet voor het regiem, maar strijdt voor het recht van Duitsland. Hij wijst op het grote gevaar van Rusland, is er van overtuigd dat Duitsland winnen zal. Ik zei maar niet veel terug. Daarna heb ik kennis gemaakt met mijn kostbaas en kostjuffrouw en hun zoontje. Hij is in Riga geboren, heeft 15 jaar in Rusland gewerkt en werkt nu op het hoofdstation in Dresden, waar hij minder verdient dan ik.

 

Donderdag, 1 april. Ik was om zeven uur op de zaak. Om negen uur heb ik pannenkoeken gegeten en koffie gedronken. Op mijn werk doe ik mijn best, maar de Litouwer zegt dat ik net een jood ben. Wij schrijven van links naar rechts, een jood van rechts naar links en dat doe jij ook, zegt hij. Ik zwijg maar. ’s Middags eet ik soep en aardappelen. Veel tijd had ik niet. Voor de eerste maal ontvang ik mijn weekgeld van 30 en 31 maart en 1 en 2 april. Het was RM 35,40, daar ging 2,20 belasting van af en 3,50 voor de Krankenkasse. Blijft over RM 29,64. Zo, nu ga ik nog even naar huis schrijven.

 

Zaterdag, 3 april. Ik heb lang gezocht naar de Kirchengasse 1, maar uiteindelijk toch gevonden. Ik zit nu op mijn kamer die ik vanmiddag ingericht heb.

 

Tekening van Adriaan Voorberg.

Collectie: J. Prooi.

 

Zondag, 13 juni, eerste pinksterdag. Om zeven uur stonden we, Jaap Vos, Arie van Spronsen en Leen Voorberg en ik, bij de boot die ons naar Rathen zou brengen. Om acht uur voeren we af. We zaten op het bovendek. Er waren veel Hollanders aanwezig. Eėn kon er verbazend goed mondorgel spelen en zodoende was het een gezellige vaart. Het was schitterend. We voeren tegen de stroom de Elbe op en midden tussen de bergen. We keken onze ogen uit. Prachtige panorama’s met steile bergen en diepe dalen. Alles begroeit met bomen. Prachtig! Langs de Elbe liep een spoorlijn. Ook zagen we veel kano’s.

 

Rathen.

Foto: archief J. Prooi.

 

Hoe verder we kwamen, hoe mooier het werd. Ik kan gewoon niet beschrijven hoe mooi het is. Om twaalf uur waren we eindelijk op onze bestemming Rathen in de Saksische Schweiz. Bij het eerste beste café dat we zagen hebben we gevraagd naar slaapplaatsen, maar daar was niets vrij. Daarna gingen we langs een smal steil paadje naar boven en kwamen bij een restaurant en daar konden we salpen. Met z’n vieren in een klein hutje, zo tegen de helling geplakt. We hebben onze koffer daar gelaten en zijn weer naar beneden gegaan, waar we eerst in een restaurant hebben gegeten.

 

 

'Toen ging het de bergen in. Klimmen en nog eens klimmen, als maar hoger.'

Foto's: archief J. Prooi.

 

Toen ging het de bergen in. Klimmen en nog eens klimmen, als maar hoger. Het eerste eind door gras en diep wegzakken in de uit bladeren bestaande grond. Onderweg plukten we een soort bramen. We kwamen bij kale rotsen. Klimmen maar jongens! Soms met gevaarlijke toeren. Eindelijk hadden we dan de top bereikt. Onderweg namen we foto’s. Het was geweldig mooi om zo boven van de top naar beneden te kijken waar je alles hėėl, hėėl klein zag. De mensen waren stipjes. Toen we eraf kwamen zijn we bij onze slaapplaats in het gras gaan liggen. En hebben daarna op het terras van het restaurant gegeten. We hadden vandaar precies uitzicht op de Elbe. Om negen uur zijn we naar ons huisje gegaan. We zijn om het tafeltje gaan zitten en hebben Handelingen 2 gelezen en fijn met elkaar zitten zingen. Het was half twaalf eer we sliepen.

 

De volgende morgen kregen we weer koffie, hebben gegeten en gingen om ongeveer tien uur weer op stap, nu gewapend met bergstokken die we gehuurd hadden. We zijn heel hoog op een uitkijkpost geweest en bij de Bastelbrücke. We zagen ook nog van die echte bergbeklimmers en hoe die zo tegen een steile roys opklommen. We zijn beneden in het dal gaan eten en hebben toen aan de overkant van de Elbe lekker in het gras liggen bruinen.

We zijn om half vijf naar het Bahnhof gegaan en kwamen eindelijk na veel dringen in een trein naar Dresden. We zaten met z’n vijfenvijftigen in een coupé met 15 zitplaatsen. Om zes uur waren we in Dresden. Intussen was het hard gaan regenen. We hebben in Stadt Rom lekker zuurkool en soep gegeten. Het uur van scheiden was weer daar. Het zijn prachtige dagen geweest. We hebben ook heel mooi weer getroffen. We hebben drie films vol. Dus dat kan mooi zijn.

 

Postkarte van Adriaan Voorberg aan zijn familie in Blankenburg.

Archief J. Prooi.

 

Ik heb zaterdag een fototoestel gekocht en ook een film voor acht Rijksmark. Het zijn prachtige dagen geweest, maar toch, toch scheelt er wat aan. We hebben eigenlijk geen Pinksteren gevierd. Of althans niet zoals het behoort. Ik heb er eigenlijk een hekel aan dat naar huis te schrijven. Ik ging gisterenavond om negen uur naar bed. Dus was ik bij het opstaan fit. Vanmorgen kreeg ik een kaart van Huib Groen van Kees uit de Ouwepolder. Die zit ook in Duitsland. Arme jongen! Ik zal hem gauw terug schrijven. Verder heb ik vandaag met plezier gewekt en nogal tamelijk veel gegeten. Ik ga nu gauw een brief naar huis schrijven. Ik ben gelukkig weer bij met m’n dagboek.”

 

Ds. Cornelis de Ru: "Mijn herinneringen aan Rozenburg zijn verweven met de oorlogsjaren. Voor de Nederlands Hervormde Gemeente verbleef ik er van juli ’40 tot februari ’46. Een tijd vol gevaar en onzekerheid. Soms moest ik met grote schroom de droefste berichten aan gezinnen overbrengen. Ik denk ook aan de vele jongens die door de Arbeidsinzet gedwongen naar Duitsland moesten en aan de correspondentie met hen. De eenstemmige hoop op bevrijding gaf een zekere verbondenheid. Er was een goede verstandhouding met de collegae van de Gereformeerde- en de Christelijk Gereformeerde kerk. De oorlog bracht de kerken samen in gezamenlijke kerkdiensten voor behoud en vrede.

 

Dirk van den Beukel

Dirk van den Beukel.

Foto: D. van den Beukel.

 

Van de ongeveer 50 Rozenburgse mannen die werden weggevoerd als dwangarbeider kwam de 29-jarige Dirk van den Beukel tijdens een bombardement op Brandenburg in Duitsland, om het leven. Dat was op 31 maart 1945. Hij was getrouwd met Helena Geertruida Voorberg. Het echtpaar had een zoontje die dezelfde voornaam droeg als zijn vader en grootvader. Op 16 juni 1948 werd Dirk van den Beukel op de Algemene Begraafplaats in Rozenburg herbegraven.

 

Arie van der Knaap

Over Arie van der Knaap, geboren op 5 april 1920 als jongste zoon van Jacob van der Knaap en Neeltje Maria Marsman, bestaat tot op heden geen zekerheid over het tijdstip en de plaats van zijn vermissing.

Rozenburg werd in mei uitgekamd door Duitsers en werkgevers die drie of meer werknemers in dienst hadden, moesten er één afstaan voor de Arbeidsinzet. Als ongehuwde werd Arie, als chauffeur in dienst bij Jaspert van der Hout, het slachtoffer van deze maatregel. Hij werd eerst in Haamstede tewerkgesteld. Later werkte hij bij het ingenieursbureau Karl Heuch te Stettin, voor werk in Estland. Daar kapte en verwerkte Arie bomen.

 

Arie van der Knaap

Foto's: J. Bergwerff.

 

 

In januari 1944 schrijft hij aan Jo Bergwerff: "Ik heb er nu acht maanden opzitten, maar ik geloof dat het er wel twaalf zullen worden, want er zit niet veel schot in het verlof." In juni 1944: "Er zijn veel Hollanders in mijn Lager en Leen van Baalen en Aart Quak maken het ook goed. Maar er gaat geen Hollander met verlof eer de krieg afgelopen is." Zijn laatste gecensureerde brief aan Jo Bergwerff, waar drie gekleurde strepen doorheen lopen en waar de plaatsnaam is uitgeknipt, besluit hij met: "Tot spoedig weerziens in een bevrijd Holland."

 

In januari 1945 werd Arie per schip overgebracht naar Dantzig. Vandaar moet hij in Oost-Pruisen per auto burgers hebben opgehaald, vóór de Russische troepen daar waren gearriveerd. Uit correspondentie van zijn familieleden met het Nederlandse- en Duitse Rode Kruis en uit verhalen van teruggekeerde lotgenoten, moet worden opgemaakt dat hij of gevangen is genomen door troepen uit de Sovjet-Unie, of mogelijk bij of in zijn auto door overvliegende Russische vliegtuigen met mitrailleurs is beschoten, mogelijk doodgeschoten.

 

Volgende