Het hoge huis aan de Zanddijk

Op de hoek van de Zanddijk en de Goudmijnkade werd in 1914 het dubbele pand gebouwd met de huisnummers 2 en 4, dat een begrip zou worden onder de naam het hoge huis. Dertig jaar later liet de bezetter er een oogje opvallen. De bewoners moesten het pand op 29 maart 1944 verlaten om plaats te maken voor de Grüne Polizei, zo genoemd vanwege de kleur van de uniformen; de officiële naam was Ordnungspolizei.

Zanddijk 2 werd bewoond door timmerman Joris van der Meer, die getrouwd was met Cornelia Degeling. Van der Meer kuurde voor TBC, waarbij frisse lucht en ruimte belangrijk waren. In het hoge huis waren deze voorwaarden voor herstel ruimschoots aanwezig.

Zanddijk 4 was het adres van Maria en Cornelia Mol. De dames Mol verhuurden kamers aan pensiongasten. Maria en Cornelia kregen huisvesting in de woning van de weduwe J.A. Barendregt in Blankenburg 47, vlakbij het Veerpad. De familie Van der Meer kreeg de woning van Joh. van der Hoeven aan de Zanddijk 42 toegewezen.

 

Rechts het hoge huis aan de Zanddijk.

Collectie: J. Moree.

 

De winkel van Arie Mol aan de Zanddijk.

Collectie: J. Moree.

 

Cornelia van der Meer-Degeling: "Dat hebben we geweigerd. Ik kon Joris toch niet in dat smalle huis met dat lage zoldertje en een klein raampje als het ware opsluiten? Het echtpaar Van der Hoeven trok toen in bij zwager en broer Jan Kerkhof aan de Vinkseweg. Toen moesten Piet Riedé en zijn zus Adriana uit het roze huis aan de Schansdijk naar het huisje van Van der Hoeven en wij kregen het roze huis toegewezen. Daar had Joris wel licht en ruimte. We moesten vijf gulden aan huur betalen. We kregen van de Duitsers een vergoeding van drievijftig voor ons oude huis. Het timmerwerk in de werkplaats op de Zanddijk kon gelukkig doorgaan met Arie Breevaart en Jan van Dijk.

In het roze huis viel ons vierjarig dochtertje Janie van de trap. Met een schedelbasisfractuur werd ze in het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam opgenomen, waar ze zes weken werd verpleegd. In die tijd kreeg je ook de spoorwegstaking en moest ik de laatste weken op de fiets met cushybanden naar het ziekenhuis. Gelijktijdig met nog twee anderen, Kors van Staalduinen en Frank Schellenboom uit Maassluis, moest ik me later melden in het hoge huis bij de Duitse politie. Kors en ik omdat we de verduisteringsvoorschriften niet goed hadden nageleefd. Frank, toen verloofd met Leens van Helden, was ergens anders voor gepakt."

 

Siem van Vliet: "Wij woonden op nummer 6 aan de Zanddijk. De Grüne Polizei in het hoge huis werden onze nieuwe buren: ik zie ze nog komen. We hebben niet veel last van ze gehad. Tijdens oud en nieuw van ‘44 op ‘45 schoten ze met hun geweren in de lucht. Ik vroeg aan een van die gasten of ik ook eens mocht schieten. Tot mijn verbazing gaf hij zijn geweer. Ik schoot er vijf keer achter elkaar mee, waarbij hij opmerkte dat ik goed kon schieten. Blijkbaar had hij dat niet verwacht. ‘Ik ben ook soldaat geweest’, zei ik tegen hem."

 

  Gezicht op de Zanddijk.

Collectie: J. Moree.

 

Onderduiker aan het woord

Piet Boudesteijn uit Spijkenisse, geboren op 9 oktober 1923 te Maassluis, verbleef als onderduiker van juni 1944 tot en met mei 1945 op Rozenburg. Zijn relaas over deze periode schreef hij in 1987 op papier.

 

"De eerste drie jaar van de oorlog kon ik nog werken bij mijn werkgever. Toen volgde een jaar waarin ik op verschillende onderduikadressen verbleef. In juni moest ik een ander onderduikadres vinden. Aan mijn schoolvriend Wim Sperling, die door zijn werk als vertegenwoordiger van de Verenigde Touwfabrieken bij boeren aan de deur kwam, vroeg ik of hij mij aan een adres op Rozenburg kon helpen.

Op een maandag in juni kwam Wim langs en vertelde dat hij voor mij een onderduikadres had gevonden op Rozenburg. De volgende dag bracht hij mij naar de familie Barendregt in de Ouwepolder. Na de eerste dagen, die wat onwennig waren, ging het snel beter. Ik werd ingezet bij allerlei karweitjes en kon mij vrij bewegen in de omgeving van de boerderij. Een paar maal heb ik in de Brielse Maas gezwommen. Met de Brielse Maas maakte ik ook op een minder prettige manier kennis. De uit Vlaardingen afkomstige schipper Van Haren en zijn gezin was met zijn schuit ondergedoken in het Barendregtse haventje. Hij was bang dat de boot waar het gezin ook in woonde, zou worden gevorderd.

 

Piet Kleijwegt had mij gevraagd een ondergronds krantje bij de schipper af te geven. Na dit onder bescherming van de duisternis te hebben gedaan, dacht ik de kade te nemen die in de richting van de boerderij van Barendregt liep. Na enige tijd wist ik zeker dat ik niet de juiste richting had gekozen. De grond werd drassig en het drong tot me door dat ik bij het verlaten van het schip niet goed had opgelet. Ik tuurde alles in de omgeving af en ontdekte een kleine lichtstreep afkomstig van de schuit van schipper Van Haren. Daar aangekomen nam ik de hoger gelegen kade die in de richting van mijn onderduikadres liep. Bij aankomst op de boerderij dook ik snel in mijn bed.

Inmiddels was het november geworden. Veel mensen uit de steden kwamen elke dag naar de boerderij om aardappelen en tarwe te vragen. In ruil hiervoor boden zij lakens of kleding aan. Sommigen overnachten in de boes, liggend voor de koeien. Wanneer de dagen van het dorsen waren begonnen verschenen er meer mensen op het erf. Het ging van mond tot mond als er ergens gedorst werd. Iedereen kon één maat van twee liter tarwe kopen tegen een billijke prijs. Barendregt verzocht mij op te letten dat er niemand een tweede maal kwam.

 

De maandagen in de herfst en winter van ‘44-‘45 waren anders dan andere dagen. Barendregt en Piet Kleijwegt waren, hoewel ze de boerderij niet verlaten hadden, een paar uur niet te zien. Henk Kleijwegt vertelde mij dat Barendregt en Kleijwegt met nog enkele anderen aan het oefenen waren met wapens die op de boerderij verstopt waren. Hierover heb ik nooit met Barendregt gesproken. Door mij te helpen liep hij gevaar. Als ik gepakt zou worden en de Duitsers de boerderij op nog meer onderduikers zouden onderzoeken, dan was de kans aanwezig dat de wapens gevonden zouden worden.

Eind mei 1945 nam ik afscheid van de familie. Met dank in ‘t hart dat alles goed afgelopen was, maar ook met een beetje weemoed. Gedurende een jaar was ik goed verzorgd en was ik van het werk op de boerderij gaan houden. Verschillende malen ben ik, ook met mijn vrouw Riet, nog op bezoek geweest bij de familie Barendregt."

 

Liberator Hot Box crasht op de Beer

Het 785e Squadron van de 466e Bomb Group van de USAAF verliet op 9 augustus haar basis Attlebridge te Norfolk voor een bombardementsvlucht op Saarbrücken in Duitsland. Eén van de toestellen van het Squadron, de B-24 Hot Box, werd al bij het beginpunt van het doelgebied aangevallen door Duitse jagers.

Drie motoren van de Liberator raakten beschadigd waardoor de bommenwerper hoogte verloor. Als achterblijver volgde het vliegtuig de formaties en weerstond succesvol een aanval van Me 109‘s. Onder escorte van twee P-38 Lightnings jagers probeerde het toestel, met motor nummer vier in de vaanstand, naar zijn basis in Engeland terug te vliegen. De problemen waren echter zodanig van aard dat de piloot, 2e luitenant Ernest A. Keyes, besloot zijn toestel boven de Noordzee te draaien en terug te keren naar het vasteland. Boven Naaldwijk gaf hij de bemanning opdracht de bommenwerper te verlaten.

Met Keyes aan boord crashte de Liberator even voor twaalf uur op de Beer. De luitenant overleefde de crash niet. Hij werd op de Algemene Begraafplaats Crooswijk in Rotterdam begraven. Op 5 maart 1946 werd luitenant Keyes herbegraven op de Amerikaanse Militaire Begraafplaats te Margraten.

 

Duitse soldaten bij een van de propellers. Rechts het staartgedeelte van de B-24.

Collectie: A.P. de Jong.

 

Cees Harteveld, Vlaardinger-Ambacht: "Mijn vader voer tijdens de oorlog als bootsman op de Nieuw Amsterdam; hij is zes jaar weggebleven. De kleding uit vaders klerenkast thuis was zodoende een handig ruilobject bij Rozenburgse boeren. Samen met twee Hagenaars en mijn broer Cor maakte ik met een roeiboot een oversteek naar Rozenburg om wat eten op de kop te tikken. De roeier vertrok met zijn boot vanaf de oever van de Nieuwe Waterweg in de buurt van boerderij De Vergulde Hand aan de Maassluisedijk. Hij vroeg voor de oversteek een gulden of vijftien.

 

De pont in Maassluis werd gecontroleerd door Duitsers, vandaar die roeiboot. Vlakbij het eiland Rozenburg werden we door een stel Duitsers gesommeerd aan wal te komen. Ze losten een paar waarschuwingsschoten in de richting van de roeiboot. De roeier wilde meteen omdraaien, maar dat was een niet zó verstandig idee. Hij kon weinig anders doen dan naar de oever te roeien, waar we werden gearresteerd en gevangen gezet in het hoge huis, het domein van de Grüne Polizei aan de Zanddijk. Twee dagen lang werden we ondervraagd over een vliegtuig dat neergestort was op Rozenburg. De Duitsers waren in de veronderstelling dat wij die vliegers te hulp wilden komen. Wij kwamen alleen maar kleding ruilen voor eten, van een neergestort vliegtuig wisten we niets.

‘Jullie zijn voor niks twee dagen vastgehouden’, zei de commandant, die niet al te fanatiek was. Omdat we niet in het bezit waren van een vergunning om het eiland Rozenburg te betreden, kregen we toch straf. Gedurende een week moesten we werken op ‘het land van de prins’, het voormalige jachtgebied van prins Bernhard op de Beer.

Vanuit Rozenburg vertrokken we op een maandagmorgen in gezelschap van Rozenburgers die daar ook moesten werken. De Rozenburgers mochten eventueel een plaatsvervanger sturen; dat waren meestal Hagenaars. Op sommige dagen werden we gedwongen om schuttersputjes te graven en die ook te camoufleren. Op andere dagen moesten we de kok helpen bij werkzaamheden in de keuken."

 

Anton van der Zee, Zwartewaal: "Die dag was ik met mijn vader en broer Arij, met de botter ZW 1, aan het vissen ter hoogte van de Scheurpolder bij Rozenburg. De lucht was vol van bommenwerpers en het geluid van afweergeschut waarmee van alle kanten op die vliegtuigen werd geschoten. Het was al zolang aan de gang dat wij er niet eens meer aandacht aan besteedden, tot we plotseling iets ongewoons hoorden. Een vliegtuig bleek in moeilijkheden te zijn. Er verschenen negen wolkjes die we al snel herkenden als parachutisten die uit het vliegtuig waren gesprongen. De Duitsers beschoten hen met lichtspoorkogels en zelfs met granaten. Er stond een harde noordenwind en we zagen dat de parachutes op zo’n achthonderd meter bij ons vandaan in het water terechtkwamen.

 

De zalmschouw werd gesleept achter de botter.

Foto: J. van der Zee.

 

De motor van onze zalmschouw achter de botter werd gestart en we zijn in die richting gevaren. Onderwijl hielden we planken uit de boot boven ons hoofd, want het regende granaatscherven. Twee van hen kwamen vlak bij elkaar terecht en verderop nog een. De overigen kwamen verspreid neer in het oeverriet en aan de vaste wal en ook op het gors van Oostvoorne, waar we zagen dat er een paar op de wal klauterden. De eerste twee vliegers die in het water lagen zijn we voorbij gevaren, omdat we zagen dat de derde het moeilijk had en al een paar keer onder water was verdwenen. Gelukkig konden we hem nog net bij zijn haren grijpen. Dat was op het nippertje. Terwijl we hem aan boord trokken schrokken we van zijn buikwond, die veroorzaakt was door een granaatscherf. De man was meer dood dan levend.

Van een opgerolde broek maakten we een hoofdkussen en dat lagen we onder zijn hoofd. Daarna zijn we die twee andere op gaan halen, die inmiddels op een zandplaat stonden. Nadat ook zij aan boord waren, lieten we de boot drijven en noteerden de nummers van hun identiteitsplaatjes. De gewonde vlieger had alles afgeworpen in het water; we konden van hem niets noteren. Omdat wij geen Engels spraken werden we ook niet veel wijzer uit hun woorden.

Ondertussen stonden een paar Duitsers aan de Rozenburgse oever te schreeuwen en te gebaren en ten slotte gingen ze schieten, dus besloten we naar de wal te gaan. Ze brulden van woede omdat we veel te lang gewacht hadden. We moesten met onze handen in de nek uit de boot te komen. Ook de gewonde vlieger moest uit de boot, maar die kon onmogelijk overeind komen. Toen die commandant bleef schreeuwen en tieren stapte ik weer in de boot en nam de doek weg die over de vlieger lag, zodat de wond te zien was. Hij gaf toen opdracht om een paar planken uit de boot te halen om de gewonde te vervoeren. Maar omdat die ongeschikt waren vroegen we om een brancard. Dat mocht niet. ‘Neem maar een zeil’, zeiden ze. Uiteindelijk kwam er toch een brancard.

We moesten met de gewonde naar een kreek varen, om dichter bij de stellingen op de Beer te komen. Een soldaat ging mee aan boord en hield steeds zijn geweer op de vlieger gericht. We vroegen hem of hij zich niet schaamde. Hij wees naar de wal en maakte een gebaar alsof hij door een verrekijker keek. Hij bedoelde dat hij in de gaten werd gehouden.

Bij de kreek werden we verschrikkelijk afgeblaft, want we hadden die zwijnhonden moeten laten verzuipen. Daarna moesten we ons uitkleden en werden we gefouilleerd. Na een uur werd de gewonde vlieger opgehaald en meegenomen naar de stellingen. Toen ze vonden dat het lang genoeg had geduurd mochten we eindelijk naar Zwartewaal terugvaren. Aan boord bleek de boel onderzocht te zijn, waarbij alles ondersteboven was gegooid."

 

Negen bemanningsleden van de B-24 Hot Box werden krijgsgevangen gemaakt; de 2e luitenants Smith, Dewild en Mc Namara en de sergeants Grover, Lottinger, Zaremba, Redding, Goode en Sweitzer. Sergeant Donald Sweitzer kwam in de Noordzee terecht, maar werd gered door de bemanning van een Duitse patrouilleboot. De gewonde vlieger die de vissers van de ZW 1 uit het water oppikten moet sergeant Milton L. Goode zijn geweest. Hij werd naar een ziekenhuis overgebracht.

 

Volgens een Duits rapport en uit gegevens van het Nederlandse Rode Kruis, werd co-piloot Ormond B. Smith zwaar gewond de hoofdverbandplaats aan de Van Alkemadelaan in Den Haag binnengebracht. De vlieger had volgens het Duitse rapport kogels in het hoofd. Tien minuten na aankomst overleed hij aan zijn verwondingen. De luitenant werd op de Algemene Begraafplaats Westduin begraven. Hij werd na de oorlog herbegraven in Luxemburg. Later werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de Golden Gate National Cemetery in San Bruno, Amerika.

Volgende