De Duitse capitulatie

Veldmaarschalk Montgomery aanvaardde op 4 mei op de Lüneburger Heide in Noord-Duitsland de capitulatie van alle Duitse strijdkrachten in Noordwest-Europa.

 

Huib van der Knaap: "Half december ‘44 kwamen we op Rozenburg zonder elektriciteit te zitten. Zodoende bleven we ook van het laatste oorlogsnieuws verstoken. Om toch op de hoogte te blijven van het laatste nieuws kon ik in Maassluis een klein stroomloos kristalontvangertje ophalen. De maker ervan bevond zich in een bovenkamertje van een slagerij in de Nieuwstraat. De overtocht terug naar Rozenburg was niet zonder risico, want de Duitsers controleerden alles. Thuis bevestigde ik in het donker een antenne van zwart geïsoleerd aluminiumdraad. In de kelder luisterde ik met een koptelefoon naar Engeland. Je moest het kristalletje beroeren met een spiraalveertje. Er was maar één zender waar we naar luisterden, dat was Radio Oranje. 

 

Het kristalontvangertje van Huib van der Knaap.

Collectie: J. Prooi.

 

De kwaliteit van de ontvangst was ronduit slecht. De Duitsers stoorden de zender wat het luisteren erg bemoeilijkte. Het bericht van de Duitse capitulatie vernam ik op 4 mei, ‘s avonds om kwart voor negen op deze ontvanger. Maar omdat de situatie erg onoverzichtelijk was, werd het bericht binnenshuis gehouden. In spanning werd de ochtend afgewacht."

 

Onderhandelingen in hotel De Wereld in Wageningen.

Foto: collectie J. Prooi.

 

In hotel De Wereld in Wageningen werd op 5 mei onderhandeld over de capitulatie van de Duitse troepen in Nederland. Op 6 mei werd de officiële capitulatie getekend in de aula van de Landbouw Hogeschool, gelegen naast het hotel. Prins Bernhard, de Canadese generaal Foulkes en de bevelhebber van de Duitse troepen in Nederland, generaal Blaskowitz, waren daarbij aanwezig.

 

Na de capitulatie waren er nog manschappen van de Grüne Polizei in het hoge huis aan de Zanddijk. Politieagent Moerman die naar buiten trad als commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten te Rozenburg en Pols in functie als onbezoldigd rijksveldwachter, zorgden ervoor dat de overgave van de daar aanwezige Duitsers werd geregeld en dat de wapens werden ingeleverd. Met leden van de BS zijn Moerman en Pols naar de Looi bij de Landverbetering gegaan. In de bunker daar troffen zij naast Duitsers ook vrouwen aan die zich tijdens de bezetting hadden opgehouden met Duitse soldaten. Er dreigde voor hen minstens het kaalgeknipt worden, zoals dat al was gebeurd. Pols zorgde ervoor dat deze vrouwen een veilige aftocht kregen.

 

Manus de Bruin: “5 mei, een heuglijke dag vandaag; de langverwachte dag. Vanmorgen om zeven uur was het opeens vrede. De Buurt is geel, blauw en rood, enfin in alle regenboogkleuren bijna uitgedost. Vlaggen mag nog niet, Die enkelingen die hem al hadden uitgestoken, moesten hem weer inhalen. Dat zal wel zoiets als een formaliteit zijn van een of andere conventie.

‘t Was één uur in de namiddag dat ik bovenstaande schreef. Nu is het half zes in de avond en de dag is nog roemruchter geworden dan ze zich, toen oom Izak ons wakker kwam maken met z’n boodschap over de vrede, zich liet aanzien. Want toen we vanmiddag even naar huis gingen (wij wonen nogal achteraf, zodat wij het nieuws altijd even later krijgen) zei oom Izak dat Rozenburg en Hoek van Holland zich niet over zouden geven. De bevelvoerder van deze kuststrook zou dit gebied blijven verdedigen. Dus nog geen vrede! ‘t Viel de mensen danig tegen. Niet dat wij er bang voor waren dat ze lang stand zouden houden als het op vechten aankwam, maar ‘t kon toch allicht nog enkele dagen duren. En de Engelsen en Canadezen waren nog een heel eindje weg. En nu om half zes, zien we opeens overal de vlaggen uitsteken.

 ‘t Is nu wel zeker dat ze er het hopeloze van hebben ingezien om dat kuststrookje te blijven verdedigen. We gaan straks nog eens even informeren, want we mogen nu natuurlijk tot laat buiten blijven. We mochten vorige week maar tot zeven uur en deze week voor het eerst tot acht uur buiten. Dat noemden ze ‘spertijd’. Liep je dan nog buitenshuis dan werd je ‘ingesperd’ zoals ze dat noemden. ‘t Was ander een hard gelach voor ons. In Vlaardingen was het vrede en zag je de vlag van de toren wapperen.

In Maassluis en Rozenburg was het nog oorlog en dus ook geen vlaggen van de huizen of toren. Vanmorgen gingen de mensen direct de palen uit ‘t land halen voor stooksel, toen het bekend werd dat het vrede was. ‘t Was nog vóór zeven uur, dus was het nog niet eens vrede. Er werd toen door de Duitsers viermaal geschoten. De meeste burgers gingen toen op de vlucht, maar 20 man werden gegrepen en tegen de muur gezet. Doodgeschoten werd er niet één, maar ze zullen toch wel geschrokken zijn. Na een paar uur mochten ze weer weg, maar… ze moesten de palen er eerst weer in gaan zetten. Die palen moesten dienst doen om de Engelse vliegtuigen te beletten te landen. Enfin, ‘t is nu wel definitief ‘Vrede’. Hiep hiep, hoera!!  

 

 

Sjoukje de Bruin-Berends voor haar huis aan de Graspolderdijk 28.

Bij Adam Breukel hangt de vlag uit.

Foto: W. de Bruin.

 

Lijntje Moree schrijft in haar dagboek: "De Canadezen zijn op de schouders rondgedragen en daarna door een dichte mensenmassa naar de Veersteiger vergezeld. Onder het zingen van het Wilhelmus voeren zij weer terug naar Maassluis."

 

 

 

  Foto's: collectie J. Prooi.

 

Maartje van Baalen-van Oudheusden: "Op de dag van de overgave van de Duitsers stonden wij op de Staaldiepsedijk. Blij en dankbaar en toch ook weer een beetje bang omdat er nog steeds werd geschoten. Maar het was toch echt waar; wij waren vrij! Wij lieten de boel de boel en haalden de vlaggen en het oranje voor de dag. Een paar dagen later zagen we onze bevrijders komen. Heel triest was het toen de meester werd opgehaald met een overvalwagen. Onze meester waar wij zoveel van geleerd hebben, weggevoerd als NSB’er. Maar we vonden wel dat hij zijn straf moest ondergaan."

 

Jo Bergwerff: "Om halfvijf in de ochtend stond mijn aanstaande zwager Huib van der Knaap voor de deur met het bericht dat de oorlog was afgelopen. Je wist niet hoe snel je het door moest vertellen. Op 8 mei zaten de eerste bevrijders op het grasveld voor de Gereformeerde pastorie, te praten met dominee Brouwer. Bij deze herinnering denk ik ook weer aan de eerste sigaretten. Dat waren Players; als je diep inhaleerde werd je draaierig in je hoofd.

Op Rozenburg waren ongeveer 20 NSB’ers en Duitsgezinden, maar ze hebben het de plaatselijke bevolking niet moeilijk gemaakt. Ze werden met de veewagen van Noordermeer opgehaald en tijdelijk in het hoge huis opgesloten. De enige uitspatting was dat vijf of zes moffenmeiden werden kaalgeknipt. Eén had het alvast thuis zelf gedaan."

 

Voor commandant Moerman was dit aanleiding voor de volgende mededeling aan de inwoners van Rozenburg: ‘De commandant van de BS te Rozenburg deelt mede: Moffenmeiden worden hier niet geknipt. Ieder is persoonlijk verantwoordelijk voor de gevolgen. De namen van de meiden die vleeschelijke gemeenschap met de leden van de Duitse Weermacht hebben gehad zullen worden gepubliceerd, na ontvangst van onderteekende schriftelijke opgaven welke uiterlijk 10 mei a.s. bij de staf van de BS moeten zijn ingediend. De inzenders zullen deze opgaven met bewijzen moeten staven’.

 

Mien Kleijwegt: "Op bevrijdingsdag hebben we flink gefeest. We gingen allemaal uit ons dak. Vlaggen en oranje kwamen weer naar buiten. De Canadezen zijn hier heel kort geweest. De moffenmeiden werden opgehaald en kaalgeschoren. Dat was wel een zielig gezicht. Maar het werd gewoon gedaan. De NSB’ers zijn toen allemaal opgehaald en naar Vlaardingen gebracht."

 

Cornelia van der Meer-Degeling: "In maart ’44 werden we uit het hoge huis aan de Zanddijk gezet door de Duitsers. Na de bevrijding konden we tot onze teleurstelling niet direct terugkeren naar onze vertrouwde woning. Nadat de Duitsers uit het dubbele pand waren afgevoerd, werden er de volgende dag NSB’ers in ondergebracht. Toen we er eindelijk weer in mochten bleek dat de vloerbedekking vervangen moest worden. Dat kwam van die soldatenlaarzen met kopspijkers."

 

Francien de Jong-van Staalduinen, Oostvoorne: "Wij kregen het huis op de Zanddijk 4 toegewezen toen het na de oorlog vrij kwam. Toen we de sleutels kregen zijn we er eerst eens gaan kijken. Ik had witte sokjes aan en binnen de kortste keren zagen die zwart van de vlooien..."

Manus de Bruin: “Ik ga weer op de motor naar het werk. Sinds enkele dagen heb ik er een vergunning voor. Vorige week zaterdag kreeg ik een vergunning, maar deze werd ‘s maandags alweer ingetrokken. Ik schreef toen weer een brief en nu is de vergunning definitief gekomen. De benzine is op de bon en alleen te krijgen op vergunning.

Het is dat ik voor de Spoorwegen aan het werk ben, anders zou ik de vergunning niet hebben gehad. Verder gaat alles zo’n beetje regelmatiger worden. De Maassluise centrale keuken  kookt vandaag voor ’t laatst, daar er te weinig deelname is. Da’s een goed teken. Zo’n centrale keuken was een oorlogsinstelling. Je kon, in de steden dan, je kon bonnen halen, voor iedere dag een bon, ook voor de zondag, en daar kreeg je dan ½ - ¾ of 1 liter soep, hutspot, krotenprak, bonen of erwtensoep op. Algelang wat er die dag was gekookt en naar gelang de hoeveelheid die ter beschikking stond. De laatste tijd was het ook wel eens pudding of cakespap en dat smaakte best.

Bij ons gaat het nu ook veel beter met het eten. ‘s Avonds eet ik tenminste overheerlijk. Een beetje vlees en wat reuzel en de middagpot van aardappelen en peentjes uit eigen tuin, is verrukkelijk.”

 

De eerste voedselschepen

 

De bevolking van Maassluis begroet beide schepen uitbundig.

Foto's: collectie J. Prooi.

 

Onder escorte van een Britse destroyer, en enkele Spitfires boven het Waterweggebied, voeren op 5 mei twee stoomschepen de Nieuwe Waterweg binnen. De Lestro en de Empire Scout hadden 3000 ton levensmiddelen aan boord bestemd voor Rotterdam. Een kleine Duitse torpedoboot nam de leiding over en leidde de twee schepen langs de tot zinken gebrachte schepen en de met mijnen bezaaide vaargeul. Bij Maassluis werd gestopt. Niet omdat de doorgang daar werd belemmerd, maar de Maassluise bevolking wilde de bemanning huldigen. In de loop van de middag was namelijk in Maassluis bekend geworden dat de beide schepen ‘t Hoofd zouden passeren.

Dat was voor de inwoners van Maassluis aanleiding om massaal de vlaggen uit te hangen en de bemanning een bloemenkrans aan te bieden. Op de Maassluise havenhoofden stonden veel mensen met vlaggen te zwaaien, evenals bij de schoorsteen van de halfgezonken Zuiderdam. Aan de bij de Haven staande signaalmast wapperde het sein QMC; welkom! Een onvergetelijk tafereel, dat ook vanaf de Rozenburgse kant werd waargenomen. 

 

Op 8 mei werden drie Britse schepen met levensmiddelen en kolen in Rotterdam gelost. Op 13 mei arriveerden vijf schepen van de geallieerde hulpverlening, eveneens geladen met levensmiddelen en kolen. Het eerste Nederlandse koopvaardijschip dat de Rotterdamse haven binnenvoer was het stoomschip Van der Capelle van de Holland Amerika Lijn met aan boord een lading grondnoten en palmpitten, bestemd voor Calvé in Delft. Dat was op 22 mei.

 

Zoektocht naar de veerboot

De veerboot tussen Rozenburg en Maassluis.

 

De veerboot Hoofdingenieur van Elzelingen werd op 30 augustus 1944 door de Duitsers buiten bedrijf gesteld wegens noodzakelijke reparaties. De veerboot werd echter direct in beslag genomen door de bezetter. De verbinding tussen Rozenburg en Maassluis werd na de inbeslagneming van de veerboot onderhouden met een ankeraak.

 

Piet van der Linde: "Die ankeraak werd met vier riemen over de Waterweg getrokken. Met aan iedere riem twee man en meestal, met ongeveer 30 tot 35 mensen en een aantal fietsen aan boord, overbelast. In die laatste verschrikkelijke oorlogswinter waren de overtochten meestal voor mensen die op Rozenburg probeerden aan voedsel te komen. Nadat de Duitse capitulatie een feit was, werd direct geprobeerd te achterhalen wat er met de veerboot was gebeurd."

 

Piet Moll, Wassenaar: "Achter op een Triumph motorfiets ben ik met de bestuurder ervan, Arie Barendregt, op 9 mei een speurtocht langs de havens begonnen. De havenmeester van de Parksluizen in Rotterdam gaf de gouden tip; de boot kon wel eens in Hellevoetsluis liggen. Wij met de motor via Nieuwesluis naar Hellevoetsluis en jawel, daar lag onze boot in de marinehaven. Maar er waren nog wel gewapende Duitsers aan boord.

 

Op Voorne-Putten waren leden van de BS juist bezig met een zuiveringsactie. De commandant van deze groep was na overleg bereid mee aan boord te gaan. Een kapitein van de Kriegsmarine maakte geen problemen, maar hij wilde officiële papieren zien die hem ervan moesten overtuigen dat de veerboot voor Rozenburg bestemd was. Intussen was het avond geworden en vertrokken we naar Rozenburg, waar we direct de paperassen in orde lieten maken. De volgende morgen vertrokken we, met fietsen op cushybanden, met kapitein Piet van der Linde, machinist Kees Louwe en dekknecht Jan van der Linde naar Hellevoetsluis. Namens de BS gingen Koos van ‘t Hof en ik mee. Nadat ik gewapend met een stengun de papieren had getoond en een stuk had ondertekend voor ontvangst, verlieten de Duitsers de veerboot."

 

Piet van der Linde: "We zijn op hele slechte cokes, met een zuidwesten wind, langzaam door het Voornse kanaal via Nieuwesluis naar de Westgeul gevaren. Jan van der Linde vond in het vooronder een portret van Hitler dat hij kapot trapte en overboord mieterde. Er lagen ook nog wat uitrustingsstukken van de Duitsers waarvan hij het een en ander naar nieuwsgierigen op de wal in Nieuwesluis gooide. We hadden zo weinig stoom, dat ik in de Westgeul de eb heb afgewacht om bij de Rozenburgse steiger te komen. Wat was daar een belangstelling toen we afmeerden."

 

Tientje van Lieftinck

Direct na de oorlog trad het kabinet Schermerhorn-Drees aan. In dit kabinet is Piet Lieftinck minister van Financiën. Deze minister bedenkt een constructie om de grote hoeveelheid geld dat in de oorlog in omloop werd gebracht, terug te dringen. Ook het zwarte geld zal uit de omloop worden gehaald.. Tijdens een grootscheepse actie moet iedere Nederlander zijn geld inleveren om dit te laten registreren en vervangen. Iedere Nederlander krijgt een tientje om in de week waarin alle oude bank- en muntbiljetten zijn ingeleverd, te kunnen rondkomen. In deze betreffende week worden de banken voorzien van nieuw geld. Deze campagne gaat de geschiedenis in als het ‘tientje van Lieftinck’.

 

 

Collectie W. de Bruin.

 

Wim de Bruin: “Mijn vader ging naar de Coöperatieve Boerenleenbank te Rozenburg om zijn geld in te leveren. Op zijn persoonsbewijs werd een aantekening gemaakt hoeveel geld was ingeleverd bij de bank.”

 

Naar hoofdstuk 10 van 10

 

Naar hoofdmenu