In de door generaal Winkelman getekende capitulatievoorwaarden was onder andere bepaald dat scheepswrakken die hinder voor de scheepvaart konden opleveren, zo spoedig mogelijk moesten worden opgeruimd. Hiervoor was Rijkswaterstaat verantwoordelijk. Na overleg van Rijkswaterstaat met de Bijbank werd op 31 mei aan W.A. v.d. Tak’s Bergingsbedrijf N.V. de opdracht verstrekt tot berging van het Bewakingsvaartuig BV19a. De berging stond onder rechtstreeks toezicht van het bureau Rijkswaterstaat Dienstkring Maassluis.

De berging van de BV19a.
Foto's: B. Goos.
Met de berging van de lading werd begonnen op 1 juni. De duikers Sparling en Puls zochten naar het goud, maar konden vanwege het getij slechts een uur per dag hun werkzaamheden uitvoeren. Drie dagen later meldde Van der Tak aan Rijkswaterstaat dat het schip in tweeën was gebroken. Het wrak lag vrijwel in het midden van de rivier. Behalve de eigen bokken moesten nog de Heracles en Titan van de firma Kraaijeveld & Poten worden gehuurd. Op 13 juni werd het voorschip en op 17 juni het achterschip gelicht. De delen werden aan de rechteroever aan land gezet. Bij het optakelen van de wrakstukken waren de lichamen van de overige bemanningsleden en van de Britten geborgen en aan land gebracht.

Aan boord tijdens de berging.
Foto: B. Goos.
Inmiddels waren de Duitsers over het drama ingelicht. Een Duitse koopman had de havencommandant van Rotterdam op 16 juni op het wrak geattendeerd. Vanaf die dag werd dan ook een wacht bij het wrak geplaatst. Het schip wekte aanvankelijk niet veel belangstelling op. Er waren tijdens de meidagen veel grotere schepen tot zinken gebracht om zich over het lot van een kleine boot nog druk te kunnen maken.
De destijds 45-jarige stuurman Willem Goos behoorde tot de overlevenden. Hij had wachtdienst tijdens de vaart van Rotterdam naar Hoek van Holland en was net op de brug van de BV19a toen de explosie plaats vond. Goos werd meters door de lucht geslingerd en kwam met zware been- en hoofdwonden in het water terecht. Een roeiboot pikte hem op en na een verblijf van twee maanden in het Hofsingel Ziekenhuis in Vlaardingen kwam hij er weer bovenop. De Duitsers lieten hem niet ongemoeid. De stuurman werd ondervraagd over het doel van de tocht; over de lading zweeg hij. Niemand mocht weten dat de loodsboot goud vervoerde.
Na verloop van tijd kwamen de Duitsers toch achter de bijzondere inhoud van de ongeveer 200 kisten die in de modderige bodem van de Nieuwe Waterweg lagen. De geborgen goudbaren werden voor een deel in de kluis van de Bijbank en vanaf 6 juli in een kluis van het nieuwe bankgebouw aan de Coolsingel ondergebracht. Het transport van de gevonden baren naar Rotterdam vond gedeeltelijk per motorboot en gedeeltelijk per auto plaats. Soms werd het goud ’s nachts op het politiebureau in Maassluis ondergebracht. Van de 937 baren waren 189 stuks nog niet gevonden. Mede op grond van het verslepen van de wrakstukken kwam men tot de conclusie dat duiken verder weinig zin had en werd voorgesteld eventueel tot baggeren over te gaan. Op 24 september begon het baggerbedrijf van Adriaan Volker’s Mij. N.V. uit Sliedrecht met baggeren. Er zou gebaggerd worden tot een maximum diepte van 13.5 meter NAP, over een oppervlakte van circa 55.000 m².
Simon Voorberg: “Mijn vader en ik moesten om beurten toezicht houden bij het baggeren. Er is veel goud opgehaald. Dat werd met een vlet naar de Boompjes in Rotterdam gebracht. De meeste kistjes waren aan gruzels en de broodjes goud lagen gewoon in de bagger. Een kistje dat heel was gebleven was precies in de schoorsteen terechtgekomen. Het kistje heb ik er met hulp van anderen uitgehaald.”
Inmiddels bedroeg het aantal door Volker opgebaggerde baren 40 stuks. Omdat door de bezetter op de gevonden baren beslag was gelegd, werd besloten de werkzaamheden op te schorten. Van der Tak had tot en met 5 juli 750 baren geborgen, terwijl op 13 augustus 15 baren en op 14 september nog een baar werden gevonden. Bij het slopen van het wrak kwamen 10 baren te voorschijn. Samen met de door Volker opgebaggerde 40 stuks waren in totaal 816 baren van de 937 stuks geborgen. Door het Prisenhof in Hamburg, dat als gerecht belast was met de afwikkeling van ladingen van buitgemaakte vijandelijke schepen, werden de 816 baren gevorderd.
Het goud werd op 30 april 1941 in 166 kisten naar de Reichsbank in Berlijn verzonden. Hitler liet later de achtergebleven 103 ton goud van de Bijbank van De Nederlandse Bank te Rotterdam in drie zendingen naar Duitsland vervoeren, waar het voor korte tijd in de kluizen van de Reichsbank in Berlijn en later in die van Würzburg verdween. De Duitse oorlogsmachine zat al bij het uitbreken van de oorlog op zwart zaad, zo zal veel later blijken. Hitler heeft dringend behoefte aan goud en deviezen. Onder het mom van een verplichte bijdrage in de bezettingskosten voor de vestiging van het Derde Rijk, rooft hij die uit alle bezette landen weg. Met het geroofde goud werden oorlogsaankopen gefinancierd, hoofdzakelijk in Zwitserland, maar ook in Portugal, Zweden en Kroatië.
De begrafenis van de omgekomen Britse opvarenden van het Bewakingsvaartuig BV19a vond plaats op maandag 17 juni op de Algemene Begraafplaats Emaus te Vlaardingen. Bij de begrafenis waren veel hooggeplaatste personen aanwezig.

V.l.n.r.: ds. M. Groenenberg; de burgemeester van Vlaardingen M.M. Siezen;
Fregatten-kapitän Tribb van de Kriegsmarine; de heer Boogaard,
beheerder van de Algemene Begraafplaats Emaus en ds. G. Lans.
Foto: Stadsarchief Vlaardingen.
De kisten waren bedekt met de Union Flag en rouwkransen van de Koninklijke Marine, de Kriegsmarine en van het Nederlandse Rode Kruis. Nadat de drie kisten in een gezamenlijk graf waren neergelaten las dominee M. Groenenberg, Nederlands Hervormd predikant te Vlaardingen, in het Engels een gedeelte uit de Bijbel voor, waarna hij in het Nederlands een woord van afscheid sprak tegenover hen die hier hun leven voor hun vaderland hadden gelaten. Dominee Groenenberg eindigde de plechtigheid met het uitspreken van het Onze Vader in het Engels.
Pas in 1945 werden de familieleden van Hill op de hoogte gesteld van zijn dood en het feit dat hij in Vlaardingen begraven was. Tijdens de oorlogsjaren had zijn dochter Corrie via het Rode Kruis tevergeefs een poging gedaan om achter de verblijfplaats van haar vader te komen.
Rozenburgse gemeenteraad voor het eerst bijeen
De Rozenburgse gemeenteraad kwam op donderdag 20 juni voor het eerst sinds de Duitse inval bijeen. Voordat de raad begon met de agenda blikte voorzitter jonkheer Just de la Paisières terug naar de bewogen oorlogsdagen in mei. Zijn tekst luidde als volgt:
“Mijne Heeren, Alvorens aan te vangen met de afhandeling van de agenda dezer eerste raadsvergadering na de dagen van 10 tot 14 mei jl. wil ik een enkel woord spreken om tot uiting te brengen ons aller dankbaarheid jegens God, dat Hij onze gemeente en haar inwoners zóó gespaard heeft, dat er alleen wat materiële schade is toegebracht. Welk een voorrecht is het, dat alle gemobiliseerde Rozenburgers in leven zijn gebleven en het grootste deel van hen thans weer aan den gewonen dagelijkschen arbeid van voorheen is kunnen gaan. Juist dit voorrecht doet ons des te meer mede gevoelen met het leed, dat buiten onze gemeente geleden wordt.
Dankbaar ben ik voor de reeds bewezen offervaardigheid der ingezetenen om den nood van velen te helpen lenigen; hierin heeft de bevolking zich weer van haar goede zijde doen kennen. Op deze plaats moge ik herhalen mijn erkentelijkheid voor de goede houding, in de Meidagen die achter ons liggen, door de Rozenburgers bewaard, alsmede voor den steun, welken velen mij hebben verleend bij het werk, dat in spannende dagen in het belang dezer gemeente en van haar ingezetenen moest worden gedaan. Hierbij denk ik meer speciaal aan den Luchtbeschermingsdienst in alle onderdeelen, de Burgerwacht en de vele vrijwilligers die belangeloos werkzaamheden verrichtten. Dit alles heeft het saamhorigheidsgevoel der inwoners van ons eiland duidelijk bewezen en nog versterkt. Ook daarvoor ben ik zeer dankbaar. Moge het zoo blijven en vinden wij daarin de kracht om onder opzien tot den Allerhoogste, ook onder de gewijzigde omstandigheden waaronder wij momenteel leven rustig verder te arbeiden tot heil van onze gemeente. Ik heb gezegd.”