Halifax bommenwerper boort zich in de Zuiddijk

In de nacht van 24 op 25 juni was Wuppertal-Elberfeld in Duitsland het doel van 634 bommenwerpers. Eén van deze toestellen, een Handley Page Halifax Mk V, werd gevlogen door luitenant Somers. Van de zevenkoppige bemanning hadden de sergeants William George Arthur, Frederik Charles Ashby en Larry A. Bone de Britse nationaliteit. De overige vier bemanningsleden, de luitenants Max Shvemar, Vern M. White, Lou Warren Somers en sergeant Jonathan Harvey Walton, waren Canadezen. De zware bommenwerper maakte deel uit van het 427e Lion Canadian Squadron van de RAF. Dit squadron was op 23.07 uur opgestegen van haar thuisbasis Leeming in Yorkshire.

 

Rond 1.00 uur werd de bommenwerper onderschept door een Messerschmitt 110. Het afgegeven saldo trof de linkervleugel van de Halifax, waarna vlammen uit de brandstoftanks sloegen. In de Canadese bommenwerper werd direct gereageerd. De beiden bakboordmotoren werden uitgezet, de propellers in de vaanstand. Met de twee stuurboordmotoren probeerde Somers het toestel onder controle te houden, maar het verloor steeds meer hoogte. Op het moment dat de bommenwerper boven het eiland Rozenburg vloog besloot men zich van de bommenlast te ontdoen. Het afwerpmechanisme was kennelijk geraakt, want het lukte slechts bij een klein deel van de explosieven. Een aantal brandbommen kwam terecht bij de woning van Aart van Vark, waarbij een houten schuur vlam vatte.

 

Serienummerplaatje van de Canadese Halifax.

Collectie J. Prooi.

 

Reinier van Vark: "We probeerden het vuur met emmers water te blussen, maar bij elke emmer water die we op het vuur gooiden laaiden de vlammen hoger op. Toen hebben we het vuur met zand en aarde kunnen smoren. De familie Gerrit van der Vliet woonde naast ons."

 

Ma van der Vliet: "De grond uit onze tuin werd voor het bluswerk gebruikt. We zijn in nachtkleding en op blote voeten naar Saar Varekamp gevlucht. Maar moeder moest terug, want in de paniek die was ontstaan waren we vergeten ons jongere zusje Jannie mee te nemen."

 

De Halifax raakte in een neerwaartse spiraal met de gehele romp in brand, vermoedelijk door een explosie in een van de brandstoftanks. Hierop gaf luitenant Somers opdracht aan zijn bemanning het toestel te verlaten. Terwijl getracht werd uit het toestel te springen, dook de Halifax naar beneden.

 

Jo Bergwerff: "In de tuin van mijn vader was een bundel brandbommen in één klap geëxplodeerd. Het gaf een enorme lichtflits. Tegelijkertijd hoorde ik het gillen van een mens in doodsnood. De volgende morgen bleek dat het een van de bemanningsleden was geweest; zijn parachute was niet open gegaan. Hij is te pletter gevallen vlakbij de woning van Adriaan Quak in het weiland van Thomas van der Meer, als je naar de Brielse veerboot ging."

 

Anton Vroon: "Als schooljongen heb ik gezien op welke plek in dat weiland de vlieger terecht is gekomen. Het was een inslag van zeker 30 centimeter diep. Vlak voordat het vliegtuig neerstortte had het een motor verloren, die in de Kroondijk terecht kwam."

 

Nel van der Laan-van der Meer, Oosterland: "Door mijn slaapkamerraam zag ik het brandende toestel aankomen, de onderdelen vielen eraf. Het scheerde tussen ons huis en de opstallen van de Zeehond, waarna het neerstortte in de Zuiddijk."

 

Piet Moll, Wassenaar, toen 17 jaar: "Samen met een vriend ging ik later bij het neergekomen toestel kijken. Terwijl wij ons bij het wrak ophielden, werden we door Duitsers betrapt. Ze losten enkele geweerschoten, gelukkig in de lucht. Zo snel als we konden maakten we ons uit de voeten, maar een serienummerplaatje van het vliegtuig heb ik kunnen bemachtigen."

 

Van de zeven bemanningsleden slaagden slechts twee erin door middel van hun parachutes zich in veiligheid te brengen. Luitenant Vern White kwam op het land van Bram van Vliet in de polder Oud Rozenburg terecht en hield zich daar schuil.

’s Morgens vroeg probeerde White in contact te komen met een Rozenburger, maar deze verstond hem niet. Wel werd de Canadees een huis binnengetrokken waar hem brood en melk werd aangeboden. Een uur later verschenen er twee Duitsers aan de deur en namen hem krijgsgevangen. De jonge Duitsers waren vriendelijk en gaven hem enige tijd later een kom aardbeien met room. Nog diezelfde dag werd hij met een motor met zijspan, via de veerboot, naar Rotterdam vervoerd en vandaar met de trein naar Amsterdam.

Luitenant White werd later op transport gesteld naar Stalag Luft 3 in Sagan, sergeant Bone naar Stalag Luft 6 in Heydekrug.

De stoffelijke resten van luitenant Shvemar, die te pletter was gevallen op het weiland van Thomas van der Meer, en sergeant Arthur werden geborgen en op de Algemene Begraafplaats Crooswijk te Rotterdam begraven. Drie bemanningsleden van de Halifax, Somers, Walton en Ashby, werden vermist. De Duitsers gingen ervan uit dat zij zich verborgen hielden bij de schaarse woningen rond de Zeehond, waar inmiddels huiszoekingen plaatsvonden.

 

Links luitenant Vern White. Rechts luitenant Max Shvmar, mei 1943.

Foto: G.J. Zwanenburg.

 

Sergeant Larry Bone kwam op de zanderige en met grind bedekte Brielse Maasoever terecht, waarbij hij gewond raakte aan zijn heup. Een Rozenburger ontdekte hem en trok Bone voorzichtig over een prikkeldraadversperring. Met een te hulp geroepen man werd hij een boerderij binnengedragen en daar legden ze hem op een sofa. Nadat hij bij kennis was gekomen kreeg Bone een glas melk aangeboden. Voor hij de kans kreeg het glas leeg te drinken, kwamen enkele Duitsers naar binnen en namen hem op een brancard mee. Bone werd naar een ziekenhuis vervoerd en na enkele dagen naar het ondervragingscentrum in Oberursel bij Frankfurt am Main overgebracht, waar ook

Vern White verbleef. 

 

Sergeant Larry Bone, september 1942.

Foto: G.J. Zwanenburg.

 

Engelandvaarders bij Cornelis van der Meer

Nadat Cornelis van der Meer met zijn gezin vanuit het verrolde huis in Rozenburg naar Poortugaal was vertrokken, woonde zoon Kees bij zijn zuster Miep en zwager Jaap Nouwen in de Rijkswoning bij de Schutsluis. Rozenburg bleef echter trekken voor Van der Meer en na een jaar kwam de familie weer terug. In de Noordbank was het huisje van Klaas de Winter vrijgekomen. Daar trok de familie Van der Meer toen in, maar niet voor lang.

 

De stenen keet waarin de familie Van der Meer woonde.

Foto: A. van der Meijde.

 

Op last van de bezetter moesten deze woningen in verband met de bouw van de Atlantikwall, worden afgebroken. De familie Van der Meer vond tijdelijk onderdak bij Klaas, Flip en Mensje Barendregt in hoeve Brielzicht aan de Zandweg. Cornelis van der Meer kreeg enige tijd later het verzoek om toezicht te houden op de voedselverstrekking aan de seizoenarbeiders die op de Landverbetering werkten en in de houten barakken bij de Zeehond verbleven. De Zeehond, een onderdeel van de Vereeniging tot Landverbetering, bestond uit opstallen in de Zeehondenplaat. De keet aan de dijk naar de Zeehond werd omgebouwd tot woonruimte en op die manier was Van der Meer weer onder de pannen. Het was er wel eenzaam, maar daar viel mee te leven. Wellicht omdat er het zo stil was werd aan Van der Meer gevraagd of hij aan een paar Engelandvaarders onderdak kon verlenen.

 

 Nel van der Laan-van der Meer, Oosterland: "Op een dag kwam er een meneer die vroeg: ‘Woont hier Van der Meer? Ik wil hem persoonlijk spreken’. Ik antwoordde dat mijn vader in de tuin was. Wat er daarna is besproken weet ik niet, ook niet wie die meneer is geweest. Maar toen vader later binnenkwam voor het eten, zei hij dat we twee gasten kregen die de grote plas over moesten en hier het juiste moment wilden afwachten. Niemand mocht iets zien of horen."

 

Dat uitgerekend kort voor hun komst de Canadese Halifax bommenwerper zich tussen de keet en de Zeehond in de dijk zou boren was uiteraard niet te voorzien. Daar de Duitsers enkele bemanningsleden misten volgden er huiszoekingen in woningen in de omgeving van de Zeehond. Ook werd er door hen wacht gelopen bij het wrak van het vliegtuig.

 

Nel van der Laan-van der Meer: "Ondanks dit alles arriveerden er twee jongens die de oversteek naar Engeland wilden wagen. Zij kwamen met een kraanwagen met daarop verborgen een opblaasbare rubberboot met hulpmotor, een blik benzine, peddels en andere spullen. De wagen vertrok en de jongens stapten binnen. Er werden geen namen genoemd. Het was net of ze er altijd al waren geweest.

Op de dag van hun vertrek schreven ze elk een brief die ik gelijk op Rozenburg ben gaan posten. Een naam op een van de brieven is mij bijgebleven: Dudok van Heel. Vader, Kees en de jongens zelf hebben de spullen gereedgemaakt. Ik heb twee pakjes brood klaargemaakt, een fles drinken en nog twee lege flessen extra. Die werden verzwaard en daar gingen papieren in. De flessen werden aan de boot gebonden zodat ze, als het verkeerd zou gaan, konden worden losgekapt. Daarna hebben we met elkaar rustig zitten eten, bruinebonensoep met brood.

 

En toen was het zover. Ik moest naar de barakken, over nieuwe papieren praten en zo, zodat de landarbeiders binnen bleven. Mijn vader, Kees en de jongens, ieder met een pak op de rug, liepen achter de barakken langs, achter de dijk om. Ze moesten één voor één een weiland oversteken, waar een wachtpost was en een soldaat heen en weer liep. Daarna liepen ze door een rietachtig gebied naar de Brielse Maas. Met een stuk zeil om zich heen geslagen peddelden beide jongens weg en verdwenen in de duisternis uit het zicht. Pas in het geruis van de branding zou de motor worden gestart."

 

De jongemannen die de oversteek naar Engeland wilden wagen waren Nico Phaff en Jan van Zutphen. Bij hun moedige poging werden zij geholpen door Robbie Droogleever Fortuyn, een studievriend, die na zijn afstuderen bij Rijkswaterstaat was gaan werken en op het eiland Rozenburg was gestationeerd.

 

 Nicolaas Roelof Phaff (links) en Johannes Andries van Zutphen.

Foto's: J.G. Bruin.

 

Nicolaas Roelof Jacob Phaff, geboren op 15 juli 1915 te Winschoten, studeerde werktuigbouwkunde aan de Technische Hogeschool in Delft van 1934 tot 1943. Al in de herfst van 1940 nam hij deel aan verzet tegen de bezetter. Zijn laatste examen voor werktuigkundig ingenieur kon hij niet afleggen door razzia’s op studenten. Door zijn verzetsactiviteiten werd Nico Phaff door de Duitsers gezocht.

 

Uit informatie blijkt dat het Rozenburgplan afkomstig is geweest van de kring Delftse vrienden van Nico. Op het Oude Delft 47 in Delft woonden Nico, Piet de Lint en Gerard de Josselin de Jong samen in een groot studentenhuis. Op 10 september 1942 probeerden Piet de Lint en Gerard de Josselin de Jong met een vouwkano via Rozenburg naar Engeland te ontkomen. Deze poging is mislukt, ze werden gearresteerd. In de gevangenis in Utrecht beschreef Piet de Lint in een dagboek nauwkeurig de voorbereidingen van hun vlucht en smokkelde dat via zijn broer naar buiten. Nico heeft dit dagboek gelezen dat hem hielp bij zijn voorbereidingen om door het zwaar bewaakte spergebied van het westelijke deel van het eiland Rozenburg, de Brielse Maas te bereiken.

 

De poging van Jan van Zutphen en Nico Phaff mislukte jammerlijk. De code die de BBC zou uitzenden na aankomst van Jan en Nico en die met de familie in de vanuit Rozenburg gestuurde brieven afgesproken was, namelijk: ‘Klaas heeft Jenkenbrenk gevonden’, werd nooit gehoord. Ook de in Engeland wonende familieleden van Nico vernamen niets van hem. Boezemvriend Doffie le Comte informeerde overal naar Jan, maar zonder resultaat. Jan van Zutphen zou oorspronkelijk op 30 juli vanaf het Haringvliet met de boot van le Comte vertrekken. Deze boot is, met 10 man aan boord, behouden in Engeland aangekomen. Hun beider families en ingenieur Droogleever Fortuyn hebben nog jarenlang naspeuringen gedaan naar Jan en Nico.

 

Francine Thierens, Leiden: "Jan van Zutphen werd geboren op 5 maart 1923 te Soekaboemi in het voormalige Nederlands-Indië. Zijn vader was theeplanter in Preanger op West-Java. In 1927 kwam de familie terug naar Nederland en vestigde zich in het Gooi.

De geschiedenis met mijn oom Jan van Zutphen is in het gezin waarin ik opgegroeid ben, altijd een emotionele kwestie gebleven. Over de verzetsactiviteiten van mijn oom Jan werd in het gezin van mijn grootouders weinig gesproken. Oom Jan zou op zee zijn gepakt en naar Rotterdam zijn afgevoerd. Daar zou een havenarbeider hem gezien en gesproken hebben. Mijn oom, bewaakt door soldaten, kon zijn achternaam doorgeven aan deze arbeider. In het Oranjehotel in Scheveningen zou hij gevangen zijn gezet. Mijn moeder heeft ons verteld dat ze dacht dat haar broer op de Waalsdorpervlakte in Den Haag is gefusilleerd, zijn graf is echter nooit gevonden.

 

Nadat mijn oom met zijn plunjezak richting Engeland vertrokken was, blijkt mijn grootvader ’s morgens om vijf uur in een stoel te hebben gezeten en te hebben gepreveld: ‘Die jongen is verloren’. Mogelijk heeft hij gevoeld dat het mis was gegaan.

Na de oorlog heeft mijn grootvader een verzoek tot opsporing bij het Rode Kruis ingediend. Dit verzoek heeft niets opgeleverd. Ook heeft hij naar een boerderij gezocht waar zijn zoon vóór de overtocht naar Engeland, langs zou zijn gekomen. Die boerderij bleek te zijn afgebrand. In 1949 is mijn grootvader op 59-jarige leeftijd overleden. Daarna zijn er geen verzoeken tot opsporing meer ingediend. De naam van mijn oom staat vermeld op een plaquette in de hal van het nieuwe lyceum te Hilversum, waar hij het eindexamen had gehaald en op het vijfluik dat is geplaatst in een kapel op de Erebegraafplaats te Loenen."

 

De in het verhaal van Francine Thierens genoemde havenarbeider, die enige woorden met Jan van Zutphen kon wisselen, was de Rotterdammer Leendert Riethof. Begin augustus 1948 had de officier Civiele Dienst J. van de Ende, een gesprek met de toen 29-jarige Riethof. Uit de verklaring die werd opgesteld is het volgende overgenomen: "Het is mogelijk dat het eind juni 1943 is geweest dat ik mij bevond in de Schiehaven te Rotterdam. Ik moest daar zijn wegens mijn beroep, daar ik scheepsrunner was. Daardoor kwam ik ook wel op Duitse schepen. Op genoemde datum kwamen enige voorpostenschepen aan in de Schiehaven. Dat was ‘s morgens tussen zeven en acht uur. Ik was er toevallig bij dat een Duitser van een der schepen opbelde en uit het gesprek kon ik opmaken dat zij tijdens een patrouille op zee een paar Hollanders opgepikt hadden. Die hadden verklaard dat zij met een kano vanuit de kust afgedreven waren en met hun kano omgeslagen waren. Maar de Duitser die het gesprek voerde, verdacht hen ervan dat zij naar Engeland wilden oversteken.

 

Schiehaven te Rotterdam.

 

Ik heb beide gevangenen wel gezien. Ze waren gekleed in een blauwe trui en een blauwe broek van de Duitse marine. Dit waren kledingstukken die hen verstrekt waren door Duitsers, daar zij uit het water waren gehaald. Ik heb slechts de naam Zutphen opgevangen, maar verkeerde in de mening dat één der gevangenen uit de plaats Zutphen kwam. Ik heb nog gezien dat de beide gevangenen zijn afgehaald met een auto van de Feldgendarmerie.

 

Tevens zag ik een kano, een zogenaamde Canadese kano die van rubber was. Ik heb deze zaak aan mijn ouders verteld. Na de bevrijding vingen mijn ouders een radio-oproep op voor inlichtingen over twee personen die getracht hadden naar Engeland te komen met een rubberboot. Mijn ouders herinnerden zich het gesprek met mij in 1943. Daarop heb ik contact opgenomen met de heer van Zutphen, vader van een van de vermisten. Waarna nog bleek dat een der gevangenen Van Zutphen genaamd was en waarvan ik begrepen had dat hij uit Zutphen kwam."

 

Wat er verder met Jan van Zutphen en Nico Phaff is gebeurd nadat ze waren weggevoerd, is nooit met zekerheid bekend geworden. Vermoedelijk zijn ze naar het hoofdkwartier van de Sicherheitspolizei und SD aan de Heemraadsingel 226 in Rotterdam gevoerd. Daar was vanaf oktober 1942 Dienststelleleiter Herbert Wölk berucht om zijn eigenmachtig uitgevoerde fusillades. Het ligt voor de hand dat zij op de Waalsdorpervlakte zijn gefusilleerd.

Volgende